Altaren

In de kerk staan diverse altaren, te weten: het hoogaltaar, het Vitusaltaar, het Maria-altaar, het Jozef-altaar, en het Antonius-altaar.

Hoogaltaar

Toen in september 1892 de kerk geconsacreerd was werd de Eucharistie gevierd aan een bescheiden altaar (de huidige altaartombe met tabernakel) van Cuypers. Omdat men inzag, dat de prachtige kerk toch wel een monumentaal altaar mocht hebben, zocht men naar de middelen om een dergelijk altaar te kunnen bekostigen. Maar het geld was op!

Gelukkig meldde zich een goede geefster: de schoonmoeder van kunstschilder Antonius Brouwer,Bernardina Josepha Maassen, de weduwe van Johannes Lambertus van der Heijden. Zij schonk € 5.445,- (ƒ 12.000) tot vervaardiging van een hoogaltaar, in die tijd een enorm bedrag.De tombe met de ijzeren tabernakelkast en koperen deuren die Cuypers al had geleverd kostte tezamen € 1.121 (ƒ 2.470) zodat nog € 4.325 (ƒ 9.530) beschikbaar was voor verdere verfraaiing. Op 18 december  1892 werd door het kerkbestuur in overleg met Antonius Brouwer een “concours” (prijsvraag)  uitgeschreven. De voorwaarden, waaraan de inzending moest voldoen, werden gezonden naar een viertal kerkelijke kunstenaars (Pierre Cuypers te Amsterdam, Friedrich Mengelberg te Utrecht, J.A. Oor en Zonen te Roermond en Jan Brom te Utrecht). Voorwaarde was, dat de ontwerpen op 31 januari 1893 waren ingezonden. Twee ontwerpen werden teruggestuurd. De jury bestond uit de destijds op kunstgebied alom bekende Alexander Schnütgen, J.F.A. Lindsen uit Utrecht en jhr. Victor de Stuers uit Den Haag. Deze deskundige jury besloot tenslotte het werk te gunnen aan de kunstenaar Friedrich Wilhelm Mengelberg, die in 1869 zijn atelier in Keulen verplaatste naar Utrecht.

Intussen bleek het tabernakel dat door Cuypers was geleverd niet inbraakwerend en brandvrij te zijn. Het reeds geleverde tabernakel werd door het kerkbestuur niet geaccepteerd. Mengelberg biedt aan om zonder extra kosten ook de nieuwe tabernakelkast te leveren. Het kerkbestuur besluit evenwel om Mengelberg in de kosten tegemoet te komen onder voorwaarde dat ook aan de achterzijde een deur wordt gemaakt.

Mengelberg vervaardigde het hoogaltaar uit wit mergelsteen, het zogenaamde “canne pierre” . De kolommen zijn van groen marmer, waarvan ook de altaarsteen is gemaakt. Mengelberg heeft met dit hoogaltaar het ontstaan van de eredienst uitgebeeld.

Zoals alle oudere altaren kan ook dit altaar verdeeld worden in een onderbouw (de zg. tombe, altaarsteen of offertafel) en de bovenbouw of opstand (ook retabel genoemd). Omdat in de vroeg-Romeinse tijd de eucharistie werd gevierd boven de graven van de martelaren, heeft de onderbouw van het altaar nog altijd de vorm van aan graftombe. Aan de voorzijde van de tombe vindt men het voorhangsel of antependium. Dit kan bestaan uit op panelen gespannen stof ofwel uit met edel metaal versierde panelen. Een derde mogelijkheid is (zoals hier) dat het antependium bestaat uit gebeeldhouwde panelen. Alhoewel niet bepaald voorgeschreven, is het een goede gewoonte, dat de versieringen van de onderbouw veelal afbeeldingen of personen uit het oude testament bevatten, terwijl die van de bovenbouw betrekking hebben op het nieuwe testament.

Voor op de tombe ziet men achtereenvolgens vanaf links:

  1. Koning Salomon, de vredevorst en bouwer van de eerste Joodse tempel;
  2. De Priester Aäron, (de broer van Mozes), die door Jahwe tot hogepriester werd aangesteld;
  3. Abel met het offerlammetje, teken dat zijn offer in tegenstelling tot dat van zijn broer Kaïn aan God welgevallig was;
  4. Koning Salomon, de vredevorst en bouwer van de eerste Joodse tempel;
  5. De Priester Aäron, (de broer van Mozes), die door Jahwe tot hogepriester werd aangesteld;
  6. Abel met het offerlammetje, teken dat zijn offer in tegenstelling tot dat van zijn broer Kaïn aan God welgevallig was;
  7. De Hogepriester Melchisedech, de priester die ten tijde van Abraham brood en wijn aanbood, als symbool van de eucharistie;
  8. Isaäk met het brandhout dat hij zelf de berg op draagt, die door zijn vader Abraham geofferd zou worden, voorafbeelding van de kruisdragende Christus;
  9. Mozes met de stenen gebodstafelen, de grondlegger van de geopenbaarde godsdienst van Israël;
  10. Koning David, die voor de godsdienstuitoefening van de Joden een tempel wilde bouwen, maar dat niet mocht.

In de altaartafel, de plaats waar het misoffer wordt opgedragen, bevindt zich, afgedekt door altaardwalen, de zgn. altaarsteen, een door aartsbisschop mgr. P. Snickers op 5 september 1892 gewijde steen met 5 kruisjes, symbool van de 5 kruiswonden van Christus. Volgens de oorkonde liggen in de steen de relieken van de heiligen Damianus en Urbanus, dit als verwijzing van de vroegere vieringen van de eucharistie op de graven der Romeinse martelaren.

Op de predella vinden we in reliëf de volgende acht profeten afgebeeld:

  • Isaias 45,15, ‘Voorwaar, u bent een God die zich verborgen houdt, de God van Israël, die redding brengt.’
  • Jeremias 3, 23, Het is waar, de heuvels zijn een leugen, de bergen een holle klank. Het is alleen de Heer, onze God, die Israël de overwinning geeft.
  • Zacharias 13,6, En wanneer zo iemand gevraagd wordt: ‘Hoe kom je dan aan die striemen op je rug?’, dan zal hij antwoorden: ‘Die heb ik opgelopen in het huis van mijn meesters.’
  • Malachias 3,15, ‘We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!’
  • Habakuk 1,3, Waarom toont u mij dit onheil en ziet u zelf de ellende aan? Ik zie slechts verwoesting en geweld, opkomende twist en groeiende tweedracht.
  • Amos 8,9, Op die dag – spreekt God, de Heer – zal ik op het middaguur de zon doen ondergaan, en het land verduisteren op klaarlichte dag.
  • Michaias 6,3, ‘Mijn volk, wat heb ik je misdaan? Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij!
  • Ezechiel 17,2, Mensenkind, geef de Israëlieten een raadsel op, vertel hun dit verhaal.

Onder deze reliefs staat de volgende latijnse tekst afgebeeld op de houten kaarsenbanken “Altare privilegiatum quotidianum perpetuum” wat vertaald betekend “geprivilegieerd altaar, van dag tot dag tot in eeuwigheid”.

De bovenbouw is als volgt. Allereerst de tabernakel waarop men op de twee koperen deuren twee Cherubijnen ziet afgebeeld met een banderol in hun handen met daarop de tekst: “Panem coeli dedit eis: panem Angelorum manducavit homo” (“Brood van de hemel gaf Hij hun: de mens heeft het brood van de Engelen gegeten”). Op de krans rond hun hoofd is driemaal Sanctus geschreven. Het tabernakel heeft overigens aan de achterzijde nog een deur waardoor de priester vroeger zonder de viering aan het altaar te storen de cibories in het tabernakel kon bereiken voor de H. Communie.

Om het tabernakel is de eigenlijke opstand gebouwd. Links en rechts van het linker- en rechter retabels zien we de kleine beelden van een viertal heiligen. Aan de linkerzijde paus Gregorius met tiara en drievoudige kruisstaf en de bisschop Ambrosius. Aan de rechterzijde Hieronymus met kardinaalshoed en tweevoudige kruisstaf en de bisschop Augustinus met mijter en krulstaf. Dit zijn de vier Westerse kerkvaders die in hun geschriften de eucharistie hebben verdedigd. Ze worden in de kunstgeschiedenis dan ook aangeduid als “verdedigers van het Sacrament”.

Op het linker retabel ziet men de Bruiloft van Kana afgebeeld, en op het linker de Wonderbare Broodvermenigvuldiging:

 

Boven de tabernakel bevindt zich de zogenaamde expositietroon, waarin de monstrans met de H.Hostie ter aanbidding kan worden uitgesteld en waarin nu een kruisbeeld is geplaatst. Links en rechts van het kruis staan de beeltenissen van de vier evangelisten Matheus, Johannes, Markus en Lukas. De evangelisten hebben een medaillon in hun handen met daarop hun eigen mythische afbeelding: de adelaar (St.Johannes), de mens (St. Mattheüs), het rund of de os (St.Lucas) en de leeuw (St.Marcus). Al deze afbeeldingen zijn ontleend aan het laatste bijbelboek, de Apocalyps of het boek der openbaringen van Johannes. Hoger, aan de voet van het pinakel of siertorentje prijkt de pelikaan, één van de symbolen zowel van de lijdende Christus als van de Eucharistie. Er bestond al een antieke legende dat de pelikaan zijn jongen ten leven wekte door het bloed uit zijn eigen borst. Kerkelijke schrijvers hebben hierin een beeld gezien van Christus en de Eucharistie. Hij heeft immers zijn bloed vergoten om ons te redden. En in de Eucharistie worden ons in de tekens van brood en wijn zijn Lichaam en Bloed gegeven. Bij het uitreiken van de communie wordt dan ook gezegd: ‘Het Lichaam van Christus’.

Aan de zijkanten van de retabels zijn de beeltenissen afgebeeld van Simeon (linkerzijde) die zegt: “Laat nu Heer, uw dienaar in vrede gaan, want mijn ogen hebben het heil aanschouwd“. Aan de rechterzijde de beeltenis van Johannes de Doper die zegt: “Zie het Lam Gods“.


In februari 1896 werden twee eikenhouten vleugeldeuren aangebracht:

 

De vleugeldeur aan de epistelkant (rechts) beeldt uit: ”De mannaregen in de woestijn” en de vleugeldeur aan de evangeliekant (links) beeldt uit: ”Mozes die water uit de rots slaat”. Antonius Brouwer bracht aan de achterkant van de vleugeldeuren schilderingen op panelen aan, voorstellende Thomas van Aquino (wetenschap), Alphonsus van Liguori (liefde), Leonardus van Veghel (marteldood) en Koning Wenceslaus (eerbied en dienstbetoon).

Daaronder staat de tekst: “Adoro te devote, latens Deitas, Quae sub his figuris vere latitas:Tibi se cor meum totum subiicit, Quia te contemplans totum deficit.” (“Ik aanbid U met eerbied, verborgen Godheid, die onder deze gedaanten waarlijk verborgen zijt. Mijn hart ondewerpt zich geheel aan U, terwijl het U aanschouwend geheel bezwijkt”.). Deze sacramentshymne ‘Adoro Te devote’ wordt toegeschreven aan Thomas van Aquino (gestorven in 1274).

Deze panelen waren alleen zichtbaar voor het volk in de kerk als de vleugeldeuren gesloten waren. Op 1 maart 1896 werden twee geborduurde gordijnen onder de vleugeldeuren besteld alsmede 4 rouwgordijnen en 2 kaarsenstandaards.

Toen het hoogaltaar in 1965 werd aangepast aan de vernieuwing van de liturgie, werden beide vleugeldeuren en de gordijnen verwijderd. Ook de 12 geschilderde Engelen en de 2 paradijsvlakken in de absis achter het hoogaltaar en de groene tegeltableaus met het ‘sanctus’ werden wit overschilderd. In 2010 zijn deze vlakken ontdaan van hun overschildering en tonen zijn weer hun pracht. Doordat ook de geschilderde wandtapijten bij de overige altaren hersteld zijn is hierdoor de eenheid teruggebracht.

Een oplettende parochiaan heeft de achterkant van de vleugeldeuren bestaande uit vier beschilderde panelen uit de container gered (ze werden gebruikt als oprij plank voor de kruiwagen) en ze weer gerestaureerd. De panelen hangen nu aan de schoorstenen en de pilaren op het priesterkoor. Inmiddels zijn in 2002 de, door de paramenten groep, gerestaureerde gordijnen weer opgehangen naast het hoogaltaar, terwijl er ook plannen bestaan de beide uit eiken gesneden retabels, die behouden zijn gebleven, te zijner tijd weer aan te brengen. De neogothische versieringen zijn helaas verloren gegaan.

Sinds 2002 wordt ook het rouwtextiel (zwarte “rouw” gordijnen en het antependium) weer gebruikt op Allerzielen om het hoogaltaar te versoberen.

Vitusaltaar

Links vooraan in de kerk bevindt zich het St. Vitusaltaar, een creatie van de Fa. Cuypers en Stolzenberg te Roermond. Op dit altaar is de heilige Vitus afgebeeld in een vat kokende olie, terwijl hij bidt tot God en keizer Diocletianus toeziet. Links en rechts van deze voorstelling zijn de veertien noodhelpers afgebeeld, die in noodgevallen, bij ziekten, kwalen enz. worden aangeroepen. Vitus behoort eveneens tot deze noodhelpers. Zijn voorspraak wordt gevraagd bij brand en bliksemgevaar. Het raam boven dit altaar heeft eveneens betrekking op Vitus en de noodhelpers.

De veertien Noodhelpers zijn:

  • Blasius, met twee kruislings vastgehouden kaarsen (3 februari; tegen keelpijnen)
  • Georgius, met gevelde draak (23 april, tegen geloofstwijfels)
  • Atachius (8 mei, tegen doodsangst)
  • Erasmus (2 juni, weduwen en wezen)
  • Vitus (15 juni, krampen en toevallen)
  • Margaretha, met draak aan ketting (20 juli, zwangere vrouwen, geboorten)
  • Christophorus, het Christuskind dragend (25 juli, hongersnood, vuurdreiging)
  • Pantaleon (17 juli, artsen, bij ziekte)
  • Cyriacus, met in de boeien geslagen duivel (8 augustus, ongewoon heftige bekoringen)
  • Aegidius (1 september, een rouwmoedige biecht)
  • Eustachius (20 september, noodlottige gebeurtenis)
  • Dionysius, zijn hoofd dragend (9 oktober, hoofdpijnen, gewetensangsten)
  • Catharina, met rad (25 november, arme zondaren, wetenschap)
  • Barbara, met toren (4 december, het sterven, een zalige dood)

Het Vitus-altaar is een geschenk van Gertrudis, Gerardus en Bernardus Fokker, een zus en twee broers, Op de linkerzijde van het altaar staat vermeld “D(ono) D(edit) Anno Domini MDCCCVC” (Geschonken in het jaar onzes Heren 1895) en op de rechterzijde staan hun namen vermeld. In december 1893 deden zij de toezegging. Met Pasen 1895 was het altaar voltooid en op het patroonsfeest van Sint-Vitus werd het voor het eerst gebruikt.

Op de muur links van het altaar zijn drie taferelen uit het leven van Sint-Vitus aangebracht: Vitus voor de landvoogd van Sicilië; Vitus op de vlucht naar Italië; Vitus die de zoon van keizer Diocletianus geneest. Deze schilderingen werden vervaardigd door de Blaricumse kunstschilder Jan Oosterman en voltooid in april 1915. Ook de vloer voor het Vitus-altaar werd geschonken door bovengenoemde schenkers.

Maria-altaar

Rechts van het Vitusaltaar staat het Maria-altaar, dat, evenals het hoogaltaar en het Jozef-altaar, werd vervaardigd door Friedrich Wilhelm Mengelberg. Dit altaar werd in 1894 geplaatst.

Onder de altaarsteen is de dood van Maria uitgebeeld. Rond haar sterfbed zijn de twaalf apostelen gegroepeerd. De beelden, geplaatst in nissen onder de baldakijnen, stellen voor: centraal de gekroonde Maria met het Kind Jezus, links Elisabeth van Thüringen met rozen in haar schoot, rechts Willem van Maleval met ketenen en een duivelkop onder zijn voeten. Elisabeth en Willem waren de patrones en patroon van de schenkers, het echtpaar Wilhelmus Joannes de Wit en Elisabeth Harmsen, dat op 28 juli 1893 zijn zilveren bruiloft vierde. Op 1 augustus 1893 schonken zij € 1.497,- (f. 3300,-) voor de bouw van het altaar en de aanleg van de vloer ervoor. Het altaar werd uit witte steen gebeiteld en in oktober 1894 geplaatst. De schilderingen rond het Maria-altaar werden mogelijk gemaakt door een schenking van Maria J. van der Kuyl.

Jozef-altaar

Het Jozefaltaar staat naast het Antonius-altaar rechtsvoor in de kerk. Het altaar is vervaardigd door de firma Mengelberg. Het was een geschenk van Johannes Gerardts. Gerardts huwde op 12 september 1867 met Elisabeth Nierman. Vier jaar later stierf zijn echtgenote. Weduwnaar Gerardts en zijn zusters schonken in juli 1893 een som van € 2.268 (ƒ 5.000) om het altaar te laten maken. De kosten bleken echter maar € 1.588 (ƒ 3.500) te bedragen. Daarom werd het resterende geld besteed voor de benodigde glasramen en de altaarbenodigdheden. Ook de vloer voor het altaar was een schenking van Johannes Gerardts.

Het Jozef-altaar is iets somberder van opzet dan het Maria-altaar. In de twee nissen zijn opgesteld: Jozef (met winkelhaak), en Joachim (met staf en een korfje met twee duiven). Aan de buitenzijde staan twee kleine beelden, voorstellende Johannes de Evangelist en Maria Magdalena met een vaas met balsem. Aan de voorzijde van dit altaar is de dood van Jozef uitgebeeld. Ook dit altaar werd omstreeks 1894 geplaatst. Op de muur rechts van het Jozef-altaar zijn nog twee schilderingen te zien: de engel verschijnt aan Jozef in een droom en de vlucht naar Egypte. Een leuk detail in laatstgenoemde schildering is het afgodsbeeldje, dat van zijn sokkel valt als de H. Familie langs komt. Deze afbeelding komt veel voor in de middeleeuwse schilderkunst.

Antonius-altaar

Het altaar, toegewijd aan de heilige Antonius van Padua werd geleverd door de Fa. Cuypers en Stolzenberg te Roermond. Het werd geschonken door het echtpaar Teunis Nieuwenhuizen en Lamberta Peet. Zij schonken het in de zomer van 1892 en begin november 1893 werd het geplaatst. Het Antoniusaltaar is uit witte steen gehouwen en met goud versierd. St. Antonius is in het midden uitgebeeld en aan weerszijden zijn gebeurtenissen uit zijn leven weergegeven. Men ziet o.a. het wonder van de ezel, die voor de monstrans met het Allerheiligste knielt. Aan de linkerzijde van het altaar is de H. Franciscus van Assisië met de stigmata (wondtekenen van Christus) afgebeeld en aan de rechterzijde de H. Bonaventura met kardinaalshoed en staand kruis. Zowel Franciscus als stichter en Bonaventura als generaal van de Orde der Franciscanen namen in het leven van Antonius, die immers ook een Franciscaan was, een belangrijke plaats in.

Op de wand rechts van dit altaar is o.a. de schipbreuk van Antonius op de kust van Sicilië weergegeven. Toen bovengenoemd echtpaar op 11 juli 1899 zijn gouden huwelijksfeest vierde, schonk het een bedrag van € 544 (f 1.200) voor de aanleg van de tegelvloer voor het altaar. Dit altaar bevind zich vooraan rechts in de kerk bij de ingang van de sacristie.

Theresia-altaar

In 1930 schonk een gever, die onbekend wenste te blijven, een bedrag van € 1.271 (f 2.800) voor het doen plaatsen van een Theresia-altaar, vervaardigd door de Kunstwerkplaatsen Cuypers. Dit altaar stond vroeger halverwege links in de kerk, waar later het Heilig Hartbeeld was opgesteld en het Willibrord altaar was. Na aanpassing van de kerk aan de liturgie in 1965 is dit altaar helaas grotendeels verwijderd en is nu niet meer als zodanig in gebruik.

Parochie-altaar

Het marmeren parochiealtaar op het verlengde priesterkoor onder de Vieringtoren is geplaatst in 1969 na het tweede Vaticaans Concilie.