Simeon Petrus, dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan hen die door de goedheid van onze God en Heiland Jezus Christus met ons het voorrecht delen van hetzelfde geloof. Genade voor u en vrede in rijke overvloed door de kennis van God en van Jezus, onze Heer! Want al wat voor leven en vroomheid nodig is, heeft zijn goddelijke kracht ons geschonken met de kennis van Hem die ons geroepen heeft door eigen heerlijkheid en wondermacht. Door die heerlijkheid en macht heeft Hij verheven, onschatbare beloften voor ons gerealiseerd, opdat gij zoudt ontkomen aan het bederf van de zelfzucht dat de wereld heeft aangetast, en deel krijgen aan Gods eigen wezen. Doet daarom uw uiterste best om uw geloof te voeden met deugd, de deugd met kennis, de kennis met zelfbeheersing, de zelfbeheersing met standvastigheid, de standvastigheid met godsvrucht, de godsvrucht met broederliefde, en de broederlijke genegenheid met liefde voor allen.
Gij die de bescherming geniet van de Allerhoogste en die in de schaduw van de Almachtige woont; voor u is de Heer: mijn toevlucht, mijn burcht, mijn God, op wie ik vertrouw. Wie op Mij rekent zal Ik verlossen, beschermen zal Ik wie Mij erkent. Wanneer hij Mij aanroept zal Ik hem verhoren, Hem bijstaan in iedere nood, hem redden en aanzien schenken. Zijn levensdagen zal Ik vervullen, mijn zegen zal hij ervaren.
In die tijd begon Jezus tot de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten te spreken in gelijkenissen: 'Er was eens een man die een wijngaard aanlegde, er een omheining omheen zette, een wijnpers in uithakte en er een wachttoren in bouwde; daarna verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde. Op de vastgestelde tijd zond hij een dienaar naar de wijnbouwers om zijn aandeel in de opbrengst van de wijngaard van hen in ontvangst te nemen. Maar zij grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug. Daarop zond hij een andere dienaar naar hen toe. Maar ze sloegen hem op zijn hoofd en beledigden hem. Weer stuurde hij er een, maar hem doodden zij; en zo nog verscheidene anderen die ze mishandelden of doodden. Hij had nu niemand meer dan zijn geliefde zoon. Die stuurde hij als laatste naar hen toe, in de veronderstelling: Mijn zoon zullen ze wel ontzien. Maar die wijnbouwers zeiden onder elkaar: Dit is de erfgenaam; vooruit laten we hem vermoorden, dan zal de erfenis voor ons zijn. Ze grepen hem vast, doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard. Wat zal nu de eigenaar van de wijngaard doen? Hij zal komen, de wijnbouwers ter dood brengen en de wijngaard aan anderen geven. Hebt ge deze schriftplaats niet gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen. Zij zonnen nu op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, want ze begrepen dat de gelijkenis die Hij vertelde, op hen sloeg. Zo lieten ze Hem met rust en verwijderden zich.
Liefdevolle Jezus, in wat voor een staat zie ik U! Zoete en liefdevolle, wie heeft U tot een dergelijke dood veroordeeld? Enige Verlosser van onze oude wonden, wie bracht U ertoe om deze wonden te lijden, die niet alleen zo wreed zijn, maar ook nog zo eerloos? Zoete wijnstok, goede Jezus, zie de vrucht die Jouw wijnstok U geeft... Tot aan deze bruiloftsdag hebt U het geduld gehad om te wachten tot ze druiven gaf en ze gaf U slechts doornen (Jes 5,6). Ze heeft U met doornen gekroond en ze heeft U met de doornen van haar zonden omgeven. Deze wijnstok die niet meer de Uwe is, maar een vreemde wijnstok is geworden, en wat is zij bitter geworden! Ze heeft U ontkent en riep: "Wij hebben geen koning dan Caesar" (Joh 19,15). Na U uit de wijngaard van uw stad en uw erfdeel te hebben verjaagd, hebben de wijngaardeniers U gedood: niet in één klap, maar na U een lange kwelling aan het kruis te hebben laten ondergaan, en U gemarteld te hebben met wonden van zwepen en spijkers. Heer Jezus, U levert Zelf uw ziel over aan de dood – niemand kan het van U wegnemen, U bent het die het geeft. Wat een bewonderenswaardige ruil. De koning geeft zich voor de slaaf, God voor de mens, de Schepper voor zijn schepsel, de Onschuldige voor de schuldigen.
In die dagen besteeg Mozes 's morgens vroeg de Sinaï, zoals de Heer hem bevolen had. De twee stenen tafelen nam Hij mee. Toen daalde de Heer neer in de wolk, terwijl Mozes daar op Hem wachtte en de Heer aanriep bij zijn Naam. De Heer ging voor hem langs en riep uit: ‘De Heer! De Heer! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. ‘Als u mij goedgezind bent, Heer,’ zei hij, ‘trekt u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen bezit.’