Zo spreekt de Heer: Zie, Ik zend mijn engel voor u uit, om u onderweg te beschermen, en u naar de plaats te brengen, die Ik heb vastgesteld. Heb aandacht voor hem en luister naar zijn woord. Kom niet tegen hem in opstand, want hij zou uw verzet niet vergeven. In hem immers is mijn Naam tegenwoordig. Als gij gehoorzaamt aan zijn woord en doet wat Ik u zeg, dan ben Ik de vijand van uw vijanden, de verdrukker van uw verdrukkers. Mijn engel zal voor u uitgaan.
Gij die de bescherming geniet van de Allerhoogste en die in de schaduw van de Almachtige woont; voor u is de Heer: mijn toevlucht, mijn burcht, mijn God, op wie ik vertrouw. Want Hij maakt u los uit de strik van de jagers, Hij redt u uit doodsgevaar. Hij zal u met zijn vleugels beschermen, onder zijn wieken vindt gij een toevlucht, zijn trouw is uw pantser en schild. Geen nachtelijk onheil hoeft gij te vrezen, Geen pijl bij klaarlichte dag; geen ziekte, die sluipt in de duisternis, geen kwaal in de gloeiende zon. Het kwaad zal u niet bereiken, de ramp blijft ver van uw tent. Hij heeft zijn engelen last gegeven op al uw wegen u te bewaken.
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus met de vraag: 'Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?' Hij riep een klein kind, zette het in hun midden en zei: 'Voorwaar, Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan. Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind is de grootste in het Rijk der hemelen. En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt, neemt Mij op. Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten, want Ik zeg u: zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is.
"Hij geeft zijn engelen opdracht om uw wegen te behoeden" (Ps 91,11). Wat moet dat niet een respect bij u oproepen, welke ijver moet er niet in u geboren worden, tot welk vertrouwen moet het u niet inspireren! Het respect door hun aanwezigheid, de ijver door welwillendheid, vertrouwen door hun waakzaamheid... De engelen zijn er dus, aan uw zijde, niet alleen bij u, maar ten gunste van u. Ze zijn aanwezig om u te beschermen, om u te redden. Wat geeft u de Heer, voor alles wat Hij u heeft gegeven (Ps 116,2). Hem alleen moet men eer en glorie brengen voor die redding; Hij heeft er het bevel voor gegeven. "Elk geschenk dat volmaakt is" (Jac 1,17) kan slechts van Hem komen. Maar men kan niet nalaten om evenveel dank te brengen aan de engelen, om de grote liefde waarmee ze gehoorzamen en voor hun hulp die wij zo hard nodig hebben. Laten we dus respectvol en dankbaar zijn voor zo'n grote waakzaamheid; laten we de engelen liefhebben en eren zoveel als we kunnen en zoveel als we verplicht zijn... Heb in God de engelen lief, in het bewustzijn dat zij op een dag onze mede-erfgenamen zijn en dat vóór het zover is de Vader beschikt en beveelt dat ze voor ons gidsen en leraren zijn. Want "vanaf nu zijn we kinderen van God", hoewel dat nog niet duidelijk geopenbaard is (1Joh 3,2), aangezien we nog kinderen zijn die ondergeschikt zijn aan beschermers en leraren, en wij lijken op het moment in niets te verschillen van dienaren. Toch, zo klein als wij zijn en zo lang en gevaarlijk de weg ook is die we nog moeten gaan, wat zouden we te vrezen hebben met zulke goede beschermers? ... De engelen zijn trouw, ze zijn wijs, ze zijn krachtig; wat zouden we vrezen? Laten we ze alleen maar volgen, laten we ons aan hen hechten en we zullen onder de bescherming van de God van de hemel blijven.
Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt; Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees! O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek, Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift: Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt; Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen! Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,