Toen nu aan koning David bekend werd, dat Jahweh het huis van Obed-Edom, en alles wat van hem was, zegende terwille van de ark van God, trok David op, en bracht op feestelijke wijze de ark van God uit het huis van Obed-Edom naar de Davidstad over. Nadat de dragers van Jahweh's ark zes schreden gezet hadden, slachtte hij een stier en een mestkalf. Geestdriftig danste David voor Jahweh uit, slechts met een linnen borstkleed omhangen. En onder gejuich en hoorngeschal bracht David met heel het volk van Israël de ark van Jahweh over. Men bracht de ark van Jahweh binnen, en zette haar op haar plaats, midden in de tent, die David voor haar had gespannen. Daarna droeg David brand- en vredeoffers voor Jahweh op; en toen hij de brand- en vredeoffers had opgedragen, zegende hij het volk in de Naam van Jahweh der heirscharen. Tenslotte hield hij voor heel het volk, voor heel de menigte van Israël, een uitdeling; en allen, mannen als vrouwen, kregen een broodkoek, een stuk vlees en een druivenkoek. Toen ging heel het volk naar huis.
Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. Wie is die koning vol majesteit? De Heer, machtig en heldhaftig, de Heer, heldhaftig in de strijd. Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef ze, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan. Wie is Hij, die Koning vol majesteit? De Heer van de hemelse machten, Hij is de koning vol majesteit.
Eens kwamen Jezus' moeder en zijn broeders, en terwijl zij buiten bleven staan, stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen. Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf: 'Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U.' Hij gaf hun ten antwoord: 'Wie is mijn moeder, wie mijn broeders?' En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten, zei Hij: 'Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij, die de wil van God volbrengen.'
Laten wij ons nooit zorgen maken over de toekomst: laten wij op ieder moment van ons leven het meest volmaakte doen, dat wil zeggen: doen wat de wil van God ons in het huidige moment oplegt; en wanneer dit gedaan is, laten wij ons niet meer bezorgd maken over de toekomst dan wanneer wij een uur later zouden sterven… Laten wij alleen aan de toekomst denken om God te vragen dat wij zijn wil mogen doen in alle ogenblikken van ons bestaan, en dat wij Hem zo veel mogelijk mogen verheerlijken… Maar voor het overige moeten wij ons niet meer met de toekomst bezighouden dan wanneer het aardse leven voor ons op het punt zou staan te eindigen: laten wij geheel en al leven in het enige huidige moment. Als de wil van God ons aanwijst — wat vaak gebeurt — dat onze taak van het huidige moment bestaat in het voorbereiden, hetzij materieel (door handarbeid, rust, voeding, zorg voor de gezondheid, enzovoort), hetzij geestelijk (door studie, meditatie, enzovoort) op de toekomst, dan is dat goed; laten wij ons met die voorbereiding bezighouden. Maar laten wij dit doen, niet met het oog op onszelf om ons op de toekomst voor te bereiden, maar met het oog op God, om te volbrengen wat Hij van ons vraagt in het huidige moment. (…) Dit is het leven van geloof: zo leven wij niet meer voor onszelf, maar alleen voor God; niet meer door onszelf, volgens onze eigen wil, maar door God, volgens de enige wil van God; niet meer vertrouwend op onszelf of op welk schepsel dan ook, maar ons volledig overgevend aan God en alles van Hem alleen verwachtend… God zal ons op ieder moment geven wat nodig is om elke zending te vervullen die Hij ons wil toevertrouwen… (…) Wij hoeven slechts op ieder ogenblik te gehoorzamen door te doen wat Hij op het huidige moment van ons verlangt.
Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, volgens de belofte van het leven dat in Christus Jezus is, aan Timoteus, zijn geliefd kind. Genade, barmhartigheid en vrede voor u vanwege God de Vader en onze Heer Christus Jezus! Het is met dankbaarheid jegens God, die ik, evenals mijn voorouders, met een zuiver geweten tracht te dienen, dat ik uw naam noem in mijn gebeden, zonder ophouden, dag en nacht. Als ik denk aan uw tranen, verlang ik vurig u weer te zien, om weer helemaal gelukkig te zijn. En uw ongeveinsd geloof komt mij voor de geest, dat geloof dat eerst uw grootmoeder Lois en uw moeder Eunike bezield heeft en nu ook, daarvan ben ik zeker, leeft in u. Vergeet dus niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u is door de oplegging van mijn handen. Want God heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen. Schaam u evenmin voor mij, zijn gevangene. Draag uw deel in het lijden voor het evangelie, door de kracht van God,