Broeders en zusters, gij zijt dus geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl de sluitsteen Christus Jezus zelf is, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een heilige tempel in de Heer. In Hem wordt ook gij mee opgebouwd tot een woonstede van God, in de Geest.
Looft nu de Heer, alle naties der aarde, huldigt de Heer, alle volken rondom; omdat Hij bij ons zijn goedheid getoond heeft; de trouw van de Heer houdt in eeuwigheid stand.
Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was niet bij de leerlingen, toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: 'Wij hebben de Heer gezien.' Maar hij antwoordde: 'Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.' Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: 'Vrede zij u.' Vervolgens zij Hij tot Tomas: 'Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig.' Toen riep Tomas uit: 'Mijn Heer en mijn God!' Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.'
Het eerste betreft de aansporing die hij tot de andere Apostelen richt, wanneer Jezus op een kritiek moment van zijn leven besluit naar Betanië te gaan om Lazarus tot leven te wekken waardoor Hij gevaarlijk dicht (cf Mc 10,32), bij Jeruzalem komt. Bij die gelegenheid zei Thomas tot zijn medeleerlingen: "Laten ook wij gaan om met Hem te sterven" (Joh. 11, 16). Deze vastberadenheid bij het volgen van de Meester is werkelijk voorbeeldig en leert ons een kostbare les: het laat de totale bereidheid zien om bij Jezus te blijven, tot aan de vereenzelviging van het eigen lot met dat van Hem toe, en de wil om met Hem de uiterste beproeving van de dood te ondergaan. Inderdaad is het belangrijkste zich nooit van Jezus los te maken. Overigens, wanneer de Evangelies het woord "volgen" gebruiken, is dat om aan te geven dat waar Hij gaat, daar ook zijn leerling moet gaan. Zo bezien definieert zich het christelijk leven als een leven met Jezus Christus, ...zelf: samen sterven, samen leven, in zijn hart blijven zoals Hij in ons hart blijft Een tweede inbreng van Thomas staat in het kader van het laatste Avondmaal. Bij die gelegenheid voorzegt Jezus zijn eigen aanstaand heengaan en verkondigt Hij dat Hij gaat om een plaats te bereiden voor zijn leerlingen opdat ook zij zullen zijn waar Hij is; en Hij verduidelijkt voor hen: "Gij weet waar ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend" (Joh. 14, 4). Dan komt Thomas tussenbeide en zegt: "Heer wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij de dan de weg kennen?" (Joh. 14, 5).... Deze woorden van hem bieden Jezus de gelegenheid de beroemde definitie uit te spreken: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven" (Joh. 14, 6). Het is dus op de eerste plaats Thomas aan wie deze openbaring gedaan wordt, maar zij geldt voor ons allemaal en voor alle tijden. Tegelijkertijd verleent zijn vraag ook ons het recht om bij wijze van spreken Jezus om uitleg te vragen. Dikwijl begrijpen wij Hem niet. Laten we dan de moed hebben om te zeggen: "Ik begrijp u niet, Heer, luister naar mij en help mij U te begrijpen". Op zo'n manier, met deze vrijmoedigheid, - die de juiste manier is om te bidden, om met Jezus te spreken -, brengen we tot uitdrukking dat wij nauwelijks in staat zijn Hem te begrijpen, maar tegelijkertijd brengen wij ons in de houding van vertrouwen die hoort bij iemand die licht en kracht verwacht van Degene die in staat is die te geven.
In die dagen stuurde Amasja, de priester van Betel, aan Jerobeam, de koning van Israël, deze boodschap: “Binnen uw eigen Israël smeedt Amos een complot tegen u; het land is tegen al die dreigementen van hem niet bestand. Want hij, Amos, zegt: Jerobeam zal sterven door het zwaard en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.” En tot Amos zei Amasja: “Ziener, gij moet maken dat ge wegkomt! Verdwijn naar Juda en verdien daar uw brood maar met profeteren! Hier in Betel moogt ge niet meer profeteren, want dit heiligdom is van de koning en dit gebouw van het rijk.” Amos gaf Amasja ten antwoord: “Ik ben geen profeet of lid van een profetengilde, ik ben veehoeder en vijgenkweker. Maar de Heer heeft mij achter mijn beesten weggehaald en het is de Heer die mij gezegd heeft: Trek als profeet naar mijn volk Israël. Daarom, luister naar het woord van de Heer. Gij zegt wel: Je mag tegen Israël niet profeteren, tegen het huis Israël niet schuimbekken. Maar de Heer zegt: Uw vrouw zal in deze stad ontucht plegen, uw zonen en dochters zullen omkomen door het zwaard, uw eigen grond zal met het meetsnoer verkaveld worden; zelf zult gij op onreine grond moeten sterven en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.”