Lezingen van de Dag

DAGELIJKS EVANGELIE Ontvang iedere morgen de dagelijkse lezingen via email ! Katholieke, meertalige, gratis service.

  • Woensdag 14 Januari : Uit het 1e boek Samuël 3,1-10.19-20.
    on 14 januari 2026 at 01:39

    In die dagen diende de jonge Samuël de Heer, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woorden van de Heer en er braken geen visioenen door. Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd. Toen riep de Heer Samuël. ‘Ja,’ antwoordde Samuël. Hij liep snel naar Eli toe en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.’ Toen Samuël weer lag te slapen, riep de Heer hem opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.’ Samuël had de Heer nog niet leren kennen, want de Heer had zich niet eerder aan hem bekendgemaakt door het woord tot hem te richten. Opnieuw riep de Heer Samuël, voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Toen begreep Eli dat het de Heer was die de jongen riep. Hij zei tegen Samuël: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.”’ Samuël legde zich weer te slapen, en de Heer kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: ‘Samuël! Samuël!’ En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’ Samuël groeide op. De Heer stond hem bij en bracht alles in vervulling wat hij had voorzegd. Daardoor kwam iedereen in Israël, van Dan tot Berseba, tot de erkenning dat Samuël door de Heer als profeet was aangewezen.

  • Woensdag 14 Januari : Psalmen 40(39),2.5.7-8.9-10.
    on 14 januari 2026 at 01:39

    Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt Hij heeft zich tot mij neergebogen, mijn roep verhoord. Gelukkig de man, die op de Heer zijn hoop stelt, die met opstandigen en onoprechten niet verkeerd. Geschenk en offerande hebt Gij nooit verlangd, maar wel hebt Gij mijn oren voor uw stem geopend. Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mijn; dus zei ik: ja, ik kom, zoals van mij geschreven staat: dat ik uw wil volbreng. Mijn God, dat is het wat ik wil, uw wet staat in mijn hart geschreven. Aan velen heb ik uw rechtvaardigheid bekendgemaakt, ik hield mijn lippen niet gesloten, Heer, Gij weet het. Nooit heb ik uw rechtvaardigheid verborgen in mijn hart,

  • Woensdag 14 Januari : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 1,29-39.
    on 14 januari 2026 at 01:39

    In die tijd kwam Jezus uit de synagoge kwam, en ging Hij met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas. De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan: zij werd vrij van koorts en bediende hen. In de avond, na zonsondergang, bracht men allen die lijdend of bezeten waren bij Hem. Heel de stad stroomde voor de deur samen. Velen die aan allerhande ziekten leden, genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet toe dat de boze geesten spraken, omdat zij Hem kenden. Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats, waar Hij bleef bidden. Simon en zijn metgezellen kwamen Hem achterop en toen ze Hem gevonden hadden, zeiden ze: 'Iedereen zoekt U.' Hij antwoordde hun: 'Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken. Daartoe ben Ik immers uitgegaan.' Hij trok door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de boze geesten uit.

  • Woensdag 14 Januari : Johannes Tauler
    on 14 januari 2026 at 01:39

          Als de Zoon van God "zijn ogen naar de hemel opheft en zegt: Vader, verheerlijk uw Zoon" (Joh 17,1), dan leert Hij ons door deze handeling dat we onze zintuigen goed omhoog moeten richten, als ook onze handen, onze mogelijkheden, onze ziel en tot Hem, met Hem en door Hem bidden. Dat is het liefdevolste en heiligste werk dat de Zoon van God hierbeneden gedaan heeft: zijn geliefde Vader aanbidden. Maar dat gaat voorbij alle redenering, en wij kunnen het niet op een of andere manier bereiken, als het niet in de heilige Geest is. Augustinus en Anselmus zeggen ons over het gebed dat het "een verheffing van de ziel naar God is". (...)       Ik zeg u dit: maak je werkelijk vrij van jezelf en van alle geschapen dingen, en hef je ziel volledig op naar God boven alle schepselen, in de diepe afgrond. Plons daar jouw geest in de geest van God, in een ware overgave (...), in een ware eenheid met God... Vraag daar aan God alles wat Hij wil dat men van Hem vraagt, wat u wenst en wat de mensen van u verlangen. En houd dit in gedachten: wat een klein muntstukje is voor honderdduizend stukken goud, dat is elk uiterlijk gebed tegenover dat gebed wat werkelijk in eenheid met God is, het uitstromen van en de vereniging met de geschapen geest in de ongeschapen geest van God.(...)       Als men u om gebed vraagt, dan is het goed dat u het op een uiterlijke manier doet, zoals u er om gevraagd bent en u het beloofd heeft. Maar door dit te doen, neem je je ziel mee naar de hoogten en naar de innerlijke woestijn, drijf je daar je kudde heen zoals Mozes deed (Ex 3,1). (...) "De ware aanbidders aanbidden de Vader in geest en in waarheid" (Joh 4,23). In dat innerlijke gebed beëindigen alle praktijken, alle formules en elk soort gebed dat sinds Adam tot nu toe aangeboden is en die nog aangeboden zullen worden tot aan de laatste dag. Men leidt dat alles in deze ware en essentiële inkeer, in één ogenblik, naar zijn volmaaktheid.

  • Dinsdag 13 Januari : Uit het 1e boek Samuël 1,9-20.
    on 14 januari 2026 at 01:39

    Nadat Hanna en Elkanan in Silo gegeten en gedronken hadden, ging Hanna naar het heiligdom van de Heer. De priester Eli zat daar op een zetel tegen de deurpost. Diep bedroefd bad Hanna tot de Heer. In tranen legde ze een gelofte af: ‘Heer van de hemelse machten, ik smeek U, heb toch oog voor mijn ellende. Denk aan mij, uw dienares, vergeet mij niet. Schenk mij een zoon, dan schenk ik hem voor zijn hele leven aan U: nooit zal zijn haar worden afgeschoren.’ Terwijl Hanna zo lang bad, keek Eli opmerkzaam naar haar mond. Ze bad namelijk in stilte: haar lippen bewogen wel, maar haar stem was niet te horen. Daarom dacht Eli dat ze dronken was. Hij sprak haar aan en vroeg: ‘Gaat dit nog lang zo duren? Als u dronken bent, ga dan uw roes uitslapen!’ ‘U vergist u, heer,’ antwoordde Hanna. ‘Ik heb geen wijn of andere drank gedronken. Nee, ik ga gebukt onder een zwaar verdriet en stort mijn hart uit bij de Heer. Denk niet dat ik een slechte vrouw ben; ik bid zo lang omdat ik overstelpt ben door droefheid en ellende.’ ‘Ga dan in vrede,’ antwoordde Eli. ‘De God van Israël zal u geven waar u om hebt gevraagd.’ ‘Ik dank u voor uw vriendelijkheid,’ zei Hanna, en ze ging terug naar haar familie. Haar gezicht was opgeklaard en ze at ook weer. De volgende morgen vroeg bogen ze zich neer voor de Heer, waarna ze zich op de terugreis begaven. Thuis in Rama sliep Elkana met zijn vrouw Hanna, en de Heer verhoorde haar. Hanna werd zwanger en na verloop van tijd baarde ze een zoon. Ze noemde hem Samuël, ‘want,’ verklaarde ze, ‘ik heb hem aan de Heer gevraagd.’