Lezingen van de Dag

DAGELIJKS EVANGELIE Ontvang iedere morgen de dagelijkse lezingen via email ! Katholieke, meertalige, gratis service.

  • Dinsdag 16 Juni : Uit het 1e boek der Koningen 21,17-29.
    on 15 juni 2026 at 22:42

    Na de dood van Nabot kwam het woord van de Heer tot Elia de Tisbiet: Sta op en ga naar Achab, den koning van Israël, die te Samaria woont; hij is in de wijngaard van Nabot, die hij in bezit is gaan nemen. Zeg tot hem: Zo spreekt de Heer! Komt ge na de moord de erfenis in bezit nemen? Zo spreekt de Heer! Op de plaats, waar de honden het bloed van Nabot hebben gelikt, zullen ze ook het uwe oplikken. Maar Achab snauwde Elia toe: Weet mijn vijand mij weer te vinden? Hij antwoordde: Ja; maar enkel omdat ge u vermeten hebt, kwaad te doen in de ogen van de Heer. En nu, zo spreekt de Heer! Ik zal onheil over u brengen en u wegvagen; al wat man is in Achabs huis, slaaf of vrije, zal Ik uit Israël verdelgen. Met uw huis zal Ik handelen als met het huis van Jeroboam, de zoon van Nebat, en als met het huis van Baësa, de zoon van Achia, omdat ge Mij hebt getergd en Israël tot zonde hebt verleid. En tot Jizebel spreekt de Heer: De honden zullen Jizebel verslinden op de open plaats voor Jizreël! Sterft er iemand van Achab in de stad, dan zullen de honden hem verslinden; en sterft iemand van hem op het land, dan zullen de vogels uit de lucht het doen! Want nooit heeft iemand zich als Achab vermeten, om kwaad te doen in de ogen van de Heer, hiertoe verleid door Jizebel, zijn vrouw; schandelijk heeft hij zich gedragen door waangoden te dienen, juist zoals de Amorieten deden, die de Heer voor Israël heeft verjaagd. Toen Achab deze bedreiging vernam, scheurde hij zijn klederen, trok een boetekleed aan en vastte; hij legde zich zelfs in het boetekleed te ruste, en liep peinzend rond. Nu werd het woord van de Heer tot Elia de Tisbiet gericht: Hebt gij gezien, hoe Achab zich voor Mij heeft vernederd? Omdat hij zich voor Mij heeft vernederd, zal Ik hem het onheil niet tijdens zijn leven overzenden, maar onder zijn zoon zal Ik het over zijn huis doen neerkomen.

  • Dinsdag 16 Juni : Psalmen 51(50),3-4.5-6.11.16.
    on 15 juni 2026 at 22:42

    God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden. Ik erken dat ik misdreven heb, altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen. Jegens U alleen heb ik gezondigd, wat U tegen staat heb ik gedaan. Dus zijt Gij rechtvaardig in uw oordeel is het vonnis dat Gij velt gegrond. Wend uw ogen af van mijn gebreken, scheld mij al mijn schulden kwijt. Houd mij ver van bloedschuld God mijn redder, dan bezingt mijn tong uw wijs beleid.

  • Dinsdag 16 Juni : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 5,43-48.
    on 15 juni 2026 at 22:42

    In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en on­rechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.

  • Dinsdag 16 Juni : H. Hiëronymus
    on 15 juni 2026 at 22:42

    “Laten we, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten.” (Gal 6, 10) De tijd gedurende de levensloop is de tijd van het zaad. Gedurende dit leven kunnen we zaaien wat we willen. Wanneer dit leven voorbij is, wordt de tijd om te handelen van ons afgenomen. Daarom zegt de Verlosser: “Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken.” (Joh 9,4) Of we nu ziek zijn of gezond, nederig of machtig, arm of rijk, hongerig of voldaan, laten we alles doen in de naam van de Heer, en met geduld en gelijkmoedigheid van ziel; dan zal zich in ons vervullen wat in de Schrift gezegd wordt: “God zal in alles het heil bevorderen van die Hem liefhebben” (Rm 8, 28). De woede, de hartstocht, de ontvangen smaad die om wraak vraagt, worden voor mij vele gelegenheden voor overwinning, als ik meesterschap over mezelf uitoefen, als ik de stilte voor God bewaar, als ik bij iedere kwetsende prik en onder druk van de ondeugden, aan God denk die me vanuit de Hoogte naar me kijkt. Laten we niet als we dingen weggeven, zeggen: dat is een vriend en deze ander negeer ik; hij heeft recht om iets te ontvangen en die ander moet geminacht worden. Laten we doen als onze Vader, “die de zon laat opgaan over goeden en slechten en die het laten regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (cf. Mt 5, 45). De bron van zijn Goedheid is open voor allen. Slaaf en vrije mens, gewone mensen en koning, rijk en arm, allen drinken er gelijk uit. De aangestoken lamp in het huis verlicht alles zonder voorkeur. Aan het einde van zijn leven kon Johannes de Evangelist zijn gedachten, na een overweging, alleen nog maar door deze woorden uitdrukken: “Kindertjes, jullie moeten elkaar liefhebben” (Cf. Joh 13,34). Op het einde zeggen de leerlingen tegen hem: “Meester, waarom zegt u dat voortdurend tegen ons?” Johannes antwoordt met deze waardige zin: “Omdat het het voorschrift van de Heer is; als men alleen die vervult, is dat genoeg”.

  • Maandag 15 Juni : Uit het 1e boek der Koningen 21,1-16.
    on 15 juni 2026 at 22:42

    Nabot de Jizreëliet bezat een wijngaard, gelegen te Jizreël, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria. Daarom sprak Achab tot Nabot: Geef mij uw wijngaard, dan maak ik er een moestuin van; want hij ligt vlak bij mijn paleis. Ik geef er u een betere voor terug, of wanneer ge dit liever hebt, de waarde in geld. Maar Nabot gaf Achab ten antwoord: de Heer beware mij er voor, u het erfdeel van mijn vaderen te geven. Hierop ging Achab verdrietig en toornig naar huis, omdat Nabot uit Jizreël hem had gezegd: Ik geef u het erfdeel van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde het hoofd af en wilde niet eten. Toen kwam zijn vrouw Izébel bij hem en vroeg: Waarom zijt ge toch zo verdrietig, en eet ge niet? Hij antwoordde haar: Ik heb met Nabot uit Jizreël gesproken en hem gezegd: "Verkoop mij uw wijngaard, of wanneer ge dit liever hebt, dan geef ik er u een andere voor in de plaats." En hij antwoordde: "Ik geef u mijn wijngaard niet." Maar zijn vrouw Izébel zeide tot hem: Gij zijt me ook een koning van Israël! Sta op en eet, en zit er maar niet over in; ik bezorg u de wijngaard van Nabot wel. Daarop schreef zij een brief uit Achabs naam, sloot die met zijn zegel, en zond hem aan de oudsten en de leiders, die bij Nabot in de stad woonden. Ze schreef in de brief als volgt: Kondigt een vasten af en laat Nabot vooraan zitten, als het volk bijeen is. Dan moet ge een paar deugnieten tegen hem laten optreden, die hem er van betichten, dat hij God en den koning heeft gelasterd. Leidt hem daarna weg, en stenigt hem dood. Zijn medeburgers, de oudsten en de leiders, deden wat Izébel hun had bevolen in de brief, die ze hun geschreven had. Zij kondigden een vasten af, en toen het volk bijeen was, plaatsten ze Nabot vooraan. Nu kwamen er een paar deugnieten, die tegen hem optraden, en ten overstaan van het volk getuigden: Nabot heeft God en den koning gelasterd! En men bracht hem buiten de stad, waar hij dood werd gestenigd. Toen berichtten zij aan Izébel: Men heeft Nabot gestenigd; hij is dood. Zodra Izébel vernam, dat Nabot gestenigd en dood was, sprak ze tot Achab: Sta op, en neem de wijngaard van Nabot uit Jizreël in bezit, die hij u niet voor geld wilde afstaan; want Nabot leeft niet meer, maar is dood. Toen Achab hoorde, dat Nabot dood was, ging hij heen, en nam de wijngaard van Nabot uit Jizreël in bezit.