Neem uw herdersstaf en weid uw volk, Heer, de schapen die uw erfdeel zijn; tussen de bomen, midden in het woud, zijn zij zo vereenzaamd. Laat ze weiden in Basan en Gilead, zoals in vroegere dagen. Ik laat wonderen zien, zoals in de dagen dat gij uit Egypte wegtrok. Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft, die voorbijgaat aan de zonde, door de rest van zijn erfdeel bedreven, die zijn toorn niet altijd laat duren, maar zijn vreugde vindt in goedheid? Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen, Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren. Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen. Aan Jakob zult Gij uw trouw, aan Abraham uw goedheid tonen, zoals Gij het onze vaderen hebt bezworen, in de dagen van weleer.
Heer, Gij hebt uw land begenadigd, het lot van Jakob ten goede gekeerd. Vergeven hebt Gij de schuld van uw volk En al zijn zonden bedekt, Gij hebt uw gramschap teruggehouden, de gloed van uw toorn gedoofd. Doe ons herleven, God onze redder, en leg uw wrevel jegens ons af. Zoudt Gij voor eeuwig op ons vertoornd op ons zijn, strekt Gij uw gramschap over geslachten? Zult Gij niet eerder ons leven vernieuwen, zodat uw volk zich in U verblijdt? Laar ons uw barmhartigheid zien, Geef ons uw heil.
Terwijl Hij nog tot het volk sprak, gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden om te trachten met Hem te spreken. Iemand kwam Hem nu zeggen: 'Uw moeder en broeders staan daar buiten en willen U spreken.' Maar hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen: 'Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?' En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: 'Ziedaar mijn moeder en mijn broeders; want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.'
Gertrudis luisterde aandachtig naar de lezing (2 Kor. 6,1-10) om uit de genoemde deugden diegenen te kiezen die het meest geschikt waren om zelf na te volgen en aan anderen te leren. Maar omdat zij hierover geen bijzondere verlichting ontving, zei zij tot de Heer: “Leer mij, mijn allerliefste Beminde, welke van deze deugden U het meest behagen. Helaas kan ik mij niet elke dag met buitengewone ijver op al deze deugden tegelijk toeleggen.” De Heer antwoordde: “Merk op dat tussen al die deugden ook deze woorden staan: ‘in de Heilige Geest’ (2 Kor. 6,6). En omdat de Geest een goede wil is, moet je er vooral naar streven een goede wil te bezitten. Daardoor zul je de schoonheid en volheid van alle deugden bezitten. Want een oprechte wil vermag meer dan alles wat een mens door zijn daden kan verrichten of verwerven. Wie met heel zijn wil verlangt Mij boven alles te loven, Mij te danken, Mij lief te hebben, deel te nemen aan mijn lijden en elke deugd zo volmaakt mogelijk te beoefenen, die zal door mijn goddelijke goedheid rijkelijk beloond worden voor alles wat hij graag had willen doen, ook al heeft hij het niet daadwerkelijk kunnen volbrengen.” Toen trad de Heilige Geest, de Trooster, naar voren en stelde zich tegenover de ziel. Hij overstraalde haar met de wonderlijke glans van zijn goddelijke licht. In dat licht zag de ziel helder haar eigen kleinheid en onwaardigheid. Maar juist door die goddelijke verlichting werd zij gezuiverd van alles wat haar verduisterde en mocht zij ondergedompeld worden in de levende bron van het licht dat nooit dooft.
Hoort dan wat de Heer zegt.' Sta op, begin een rechtsgeding ten overstaan van de bergen! Laat de heuvels uw stem vernemen!' Aanhoort, gij bergen, het rechtsgeding van de Heer, en gij ook, onwrikbaren, fundamenten der aarde: de Heer heeft een rechtsgeding met zijn volk; Hij wil afrekenen met Israël. 'Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmee ben Ik u lastig gevallen? Antwoord Mij. Ik heb u toch uit Egypte geleid en u uit het slavenhuis verlost; Ik heb Mozes voor u uit laten gaan en Aäron en Mirjam. 'Waarmee zal ik voor de Heer treden, mij buigen voor God in den hoge? Zal ik voor Hem treden met brandoffers, met eenjarige kalveren? Zal de Heer behagen vinden in duizenden rammen, in tienduizenden beken olie? Moet ik voor mijn misdaden mijn eerst‑ geborene offeren, mijn kind voor de zonden die ik begaan heb?' 'de Heer heeft u gezegd wat goed is, mens, en wat Hij van u verlangt: Hij wil niets anders dan dat gij u houdt aan het recht, dat gij de trouw eerbiedigt, en u tegenover uw God ootmoedig gedraagt.'