Heer, het pad van de vrome is recht. Gij effent de weg voor de rechtvaardige. Ook wij, Heer, hopen op de weg die Gij in uw rechtvaardigheid baant, en naar uw naam en gedachtenis gaat ons verlangen uit. Iedere nacht verlang ik naar U, ik hunker naar U met heel mijn ziel. Als uw gerechtigheid over de aarde heerst, leren de aardbewoners wat recht is. Heer, Gij schenkt ons vrede, want zelfs al ons eigen werk hebt Gij voor ons verricht. Heer, in de nood zocht het U, het riep tot U, als het door uw straffende hand werd getroffen. Zoals een zwangere vrouw die bij het baren kronkelt en kerm in haar weeën, zo waren wij voor U, de Heer. Wij leken zwanger en kronkelden van pijn, maar niets dan wind barden wij: wij brachten het land geen uitkomst en wereldburgers werden er niet geboren. Uw doden zullen herleven, mijn gestorven lichamen weer opstaan. Allen die slapen in het stof, zullen vol vreugde ontwaken. Want de dauw die u bedekt, is een lichtende dauw: de aarde brengt de schimmen weer tot leven.
Gij, Heer, blijft door de eeuwen uw Naam van geslacht tot geslacht. Rijs op en wees Sion genadig, want nu is het de tijd om barmhartig te zijn je, het uur is gekomen. Rijs op en wees Sion genadig, want nu is het de tijd om barmhartig te zijn je, het uur is gekomen. Uw dienaars hebben die stenen lief, met deernis zien zij die puinhopen liggen. De heidenen zullen uw Naam weer duchten, de vorsten der aarde uw heerlijkheid wanneer Gij de muren van Sion herbouwt, wanneer Gij daar weerkeert in volle luister, wanneer Gij de stem der geplunderden hoort, hun smeekbeden niet naast U neerlegt. Stelt dit dan op schrift voor het komend geslacht en laat onze zonen de Heer ervoor danken. De Heer ziet omlaag van zijn heilige hoogte, Hij ziet uit de hemel op aarde neer Hij zal het geschrei der gevangenen horen, verlossen die aan de dood zijn gewijd.
In die tijd nam Jezus het woord en sprak: Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.
Heer, zend ons het Lam ; het lam dat we nodig hebben en niet de leeuw (Ap 5,5-6). Het lam dat niet geïrriteerd is en wiens zachtheid zich geen zorgen maakt; het lam dat ons zijn wol, wit als sneeuw, zal geven om in ons te verwarmen wat koud is, om in ons te bedekken wat naakt is; het lam dat ons zijn vlees zal geven om te eten uit vrees dat we onderweg uit zwakheid ten onder zouden gaan (Joh 6,51; Mt 15,32). Zend Hem vol met wijsheid, want met zijn goddelijke behoedzaamheid zal Hij de trotse geest overwinnen; zend Hem vol met kracht, want er is gezegd dat "de Heer sterk en machtig in de strijd is" (Ps 24,8); zend Hem vol met zachtheid, want "Hij zal neerdalen als de dauw op de vacht" (Ps 72,6 Vulg); stuur Hem als een slachtoffer, want Hij moet verkocht en geslacht worden voor onze losprijs (Mt 26,15; Joh 19,36; Ex 12,46) ; zend Hem, niet om de zondaars te vernietigen, want Hij moet "hen komen roepen en niet de rechtvaardigen" (Mt 9,13); Zend Hem tenslotte "waardig om de kracht en de goddelijkheid te ontvangen, waardig om de zeven zegels van de boekrol te verbreken" (Ap 4,11; 5,9), dat wil zeggen het onuitspreekbare mysterie van de Menswording.
Zo spreekt de Heer: Assur, de roede van mijn gramschap, de stok die Ik in mijn woede hanteer. Ik had hem ontboden tegen een goddeloos land, hem gezonden naar een volk dat mijn toorn opwekte, om er te plunderen en te roven, om het als straatvuil te vertrappen. Hij echter bedoelde het anders, en had andere plannen in zijn hart: zijn hart was erop uit te verdelgen en talloze volken uit te roeien. Assur zei: ''Door eigen kracht heb ik dat alles bewerkt, door eigen wijsheid, want verstandig ben ik. Grenzen van volken heb ik verlegd, rijkdommen weggesleept, en vorsten met geweld van hun troon gestoten. Mijn hand nam de rijkdom van de volken in beslag alsof het een vogelnestje was en zoals men verlaten eieren vergaart, zo gaarde ik heel de aarde bijeen. Niet een verroerde een vleugel of opende zijn snavel om te piepen.' Pocht een bijl soms tegen hem die ermee hakt, of verheft zich een zaag tegen hem die ze hanteert? Alsof een scepter diegene regeert die hem voert, of een stok hem die geen hout is, omhoog heft! Daarom laat de Heer, de Heer van de legerscharen, zijn vet wegteren en de koorts in zijn ingewanden branden, als een gloeiend vuur.