Ook wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks: alleen een zondaar blijft ermee lopen. Wie wraak neemt, zal de wraak van de Heer voelen: Hij zag zijn zonden nooit uit het oog verliezen. Vergeef uw naaste zijn onrecht: dan worden, wanneer gij erom bidt, uw eigen zonden kwijtgescholden. Kan een mens, die tegenover een medemens in zijn gramschap volhardt, bij de Heer zijn heil komen zoeken? Kan hij, die onverbiddelijk is voor zijn evenmens, om vergeving bidden voor zijn eigen zonden? Als iemand, die zelf maar een mens is, in zijn wrok volhardt, wie zal dan verzoening bewerken voor zijn zonden? Denk aan het einde en houd op met haten; denk aan de ondergang en de dood en houd u aan de geboden. Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste; denk aan het verbond met de Allerhoogste en zie door de vingers wat maar onwetendheid is.
Verheerlijk, mijn ziel, de Heer, zijn heilige Naam uit het diepst van uw wezen. Verheerlijk, mijn ziel, de Heer, vergeet zijn weldaden niet. Hij is het, die u uw schulden vergeeft, die u geneest van uw kwalen. Hij is het die u van de ondergang redt, die u omringt met zijn gunst en erbarmen. Hij blijft niet voortdurend verwijten maken, Hij is niet voor eeuwig vertoornd. Hij handelt met ons niet zoals wij verdienen, vergeldt ons niet onze schuld. Zo wijd als de hemel de aarde omspant, zo alomvattend is zijn erbarmen. Zo ver als de afstand van oost tot west, zo ver verdrijft Hij van ons de zonde
Broeders en zusters, niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, niemand sterft voor zichzelf alleen. Zolang wij leven, leven wij voor de Heer, en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer: of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe. Daarvoor is Christus gestorven en weer levend geworden: om Heer te zijn over doden en levenden.
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: 'Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?' Jezus antwoordde hem: 'Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.'
God heeft ons geboden om onze schuldenaren te vergeven, zoals ook wij vergeven willen worden (Mt 6,12). Wij weten dat wij geen vergeving ontvangen, indien wij geen vergeving schenken aan hen die tegen ons gezondigd hebben. Bovendien heeft God gezegd: "De maat die u gebruikt, zal men ook voor u gebruiken"(Mt 7,2). Wij weten ook hoe het de dienaar verging aan wie zijn heer alles had kwijtgescholden, maar die aan zijn mededienaar niets wilde vergeven: hij werd in de gevangenis geworpen. Omdat hij geen medelijden had met zijn mededienaar, legde de heer hem de hele schuld weer op die hij hem eerst had kwijtgescholden. Christus heeft ons met nadruk geboden: "Hebt u iets tegen iemand, terwijl u staat te bidden, vergeef het dan, opdat ook uw Vader in de hemel u uw tekortkomingen moge vergeven. Zo u niet vergeeft, zal ook uw Vader die in de hemel is, uw zonden niet vergeven" (Mc 11,25-26) (...). Toen Abel en Kaïn het allereerste offer brachten, zag God niet naar hetgeen zij offerden, maar naar hun hart. Alleen het offer van wiens hart God welgevallig was, kon Hem behagen. Abel was rechtvaardig en een man van vrede; hij bracht zijn offer met een schuldeloos hart. Wij kunnen van hem leren om, wanneer wij voor het altaar een offer willen opdragen, daar te komen in oprechte vrees voor God en in vrede. Zo heeft Abel zijn offer gebracht; daarna is hijzelf tot een offergave geworden en zijn bloedgetuigenis mocht de aanvang zijn van het lijden van de Heer. Zij die zoals hij in Gods gerechtigheid en vrede blijven, worden door God op de dag van het oordeel vrijgesproken en met hun Heer bekroond.