Nadat Adam van de boom gegeten had, riep God de Heer de mens: ‘Waar ben je?’ Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij terzijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de Heer, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’ God, de Heer, zei tegen de slang: ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan, het vee zal je voortaan mijden, wilde dieren wenden zich af; op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang. Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’ De mens noemde zijn vrouw nu Eva, omdat zij de moeder zou worden van al wat leeft.
Zijn stad op de heilige bergen: de Heer heeft haar lief. De poorten van Sion veel meer dan alle tenten van Jakob. Hoe groots is het wat er van u wordt voorzegt, Jeruzalem, stad van God. Zij zullen dan zeggen: mijn moeder is zij, uit haar zijn wij allen geboren. En Hij zal zelf verklaren, de Allerhoogste, de Heer. Hij zal in het boek van de volkeren schrijven: ook deze horen daar thuis. Dan zullen zij dansen en zingen: de bron van ons leven zijt Gij.
In die tijd stonden bij Jezus' kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: 'Vrouw, zie daar uw zoon.' Vervolgens zei Hij tot de leerling: 'Zie daar uw moeder.' En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis. Hierna, wetend dat nu alles was volbracht, zei Jezus, opdat de Schrift vervuld zou worden: 'Ik heb dorst.' Er stond daar een kruik vol zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij: 'Het is volbracht.' Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest. Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven ‑ het was bovendien een grote sabbat ‑ vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen. Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Jezus was gekruisigd, de benen stuk. Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was, sloegen zij Hem de benen niet stuk, maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit.
O Maria, Maria, tempel van de Drie-eenheid, o Maria, draagster van het vuur, Maria, uitdeelster van barmhartigheid, Maria, die de goddelijke vrucht hebt doen ontkiemen! Maria, in zekere zin verlosseres van het menselijk geslacht! (Heeft het lijden van uw vlees, in het Woord, de wereld niet gered?) Christus was Verlosser door zijn lijden; gij, door de pijn van lichaam en ziel. O Maria! Stille zee, uitdeelster van vrede, Maria, vruchtbare aarde! Gij zijt de nieuwe boom die de welriekende bloem heeft gedragen van het Woord, de eniggeboren Zoon van God. In u, vruchtbare aarde, werd het Woord gezaaid. Gij zijt tegelijk aarde en boom. O Maria, vurige wagen, gij hebt het vuur gedragen dat verborgen en bedekt was onder de as van uw menselijkheid. (…) O Maria, allerdierbaarste liefde, in u is het Woord geschreven dat ons de leer van het leven schenkt; gij zijt de tafel waarop deze leer gegrift staat. Nauwelijks in u geprent, draagt dit Woord het kruis van het heilige verlangen dat als het ware op Hem geënt is. Nauwelijks ontvangen, wordt Hij vervuld van het verlangen te sterven voor het heil van de mensen, voor wie Hij mens wordt. En het was een groot kruis zo lang een verlangen te dragen dat Hij onmiddellijk had willen volbrengen.
Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats. Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf. Nu woonden er in Jeruzalem Joden, vrome mannen, die afkomstig waren uit alle volkeren onder de hemel. Toen dat geluid ontstond, liep het volk te hoop en tot zijn verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn eigen taal. Zij waren buiten zichzelf en zeiden vol verwondering: 'Maar zijn al die daar spreken dan geen Galileeërs? Hoe komt het dan dat ieder van ons hen hoort spreken in zijn eigen moedertaal? Parten, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië, van Pontus en Asia, van Frygië en Pamfylië, Egypte en het gebied van Libië bij Cyrene, de Romeinen die hier verblijven, Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden.'