In die dagen kwam het woord van de Heer tot mij: Omgord uw lenden, sta op en zeg hun alles wat Ik u opdraag. Laat u door hen geen angst aanjagen; anders jaag Ik u angst aan voor hen. Ik maak je nu tot een vestingstad en een ijzeren zuil, tot een bronzen muur om stand te houden tegen het hele land: de koningen en leiders van Juda, de priesters en het volk. Ze zullen je bestrijden, maar niet verslaan, want Ik zal je ter zijde staan en je redden – spreekt de Heer.’
Tot U, Heer, neem ik mijn toevlucht, Stel mij toch nimmer teleur. Gij zijt rechtvaardig, red en bevrijd mij luister en kom mij te hulp. Wees mij een vluchtoord, een veilige plaats mijn rots en mijn burcht zij Gij altijd geweest. Bevrijd mij God, uit de handen der zondaars. Want U, mijn God, U bent mijn verwachting, mijn hoop bent U Heer sinds mijn vroegste jeugd. Vanaf de moederschoot steun ik op U, U waart mijn beschermer sinds mijn geboorte. Ik zal uw rechtvaardigheid prijzen uw bijstand de hele dag. Van jongsaf heb ik het ondervonden, en nu nog prijs ik uw daden.
In die tijd had Herodes Johannes laten grijpen en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, want hij had haar tot zijn vrouw genomen. Johannes had immers tot Herodes gezegd: 'Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.' Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden, maar zij kreeg geen kans, want Herodes had ontzag voor Johannes. Hij wist dat hij een rechtschapen en heilig man was, en nam hem in bescherming. Telkens wanneer hij hem gehoord had, verkeerde hij in tweestrijd; maar toch luisterde hij graag naar hem. Er kwam echter een gunstige dag, toen Herodes bij zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea. De dochter van Herodias trad op met een dans en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten. De koning zei tot het meisje: 'Vraag me wat je wilt en ik zal het je geven.' En hij bevestigde haar met een eed: 'Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al is het de helft van mijn koninkrijk.' Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder: 'Wat zou ik vragen?' Deze antwoordde: 'Het hoofd van Johannes de Doper.' Zij haastte zich naar de koning en zei hem haar verlangen: 'Ik wil dat u mij op staande voet op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.' Dit deed de koning leed, maar om zijn eed gestand te doen en ook wegens zijn tafelgenoten wilde hij haar niet afwijzen. Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen. De man ging en onthoofdde hem in de gevangenis. Hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje; het meisje gaf het weer aan haar moeder. Toen zijn leerlingen er van gehoord hadden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.
De dood van Christus ligt aan de oorsprong van een ontelbare menigte gelovigen. Door de macht van diezelfde Heer Jezus, en dankzij zijn goedheid, werden door de kostbare dood van zijn martelaren en zijn heiligen, een grote hoeveelheid christenen geboren. Nooit kon het christelijk geloof immers vernietigd worden door de vervolgingen door tirannen en de niet te rechtvaardigen moorden op onschuldigen: het geloof is er eerder flink door gegroeid. Als voorbeeld hebben we Johannes, die Christus heeft gedoopt, en van wie we vandaag het heilig martelaarschap vieren. Herodus, die ontrouwe koning, wilde door trouw aan zijn eed, de herinnering van de mensen aan Johannes, compleet uitvlakken. Welnu, niet alleen Johannes is vernietigd, maar duizenden mensen, die door zijn voorbeeld aangevuurd werden, hebben de dood met vreugde voor de gerechtigheid en de waarheid aanvaard... Welke christen die deze naam waardig is, eert vandaag niet Johannes, de doper van de Heer? Overal in de wereld vieren de christenen de herinnering aan hem, alle generaties verklaren hem zalig en zijn deugden vervullen de Kerk met hun goede geur. Johannes heeft niet alleen voor zichzelf geleefd en hij is niet alleen voor zichzelf gestorven.
Broeders en zusters, Christus heeft mij niet gezonden om te dopen. Hij heeft mij gezonden om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden; anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen. Want de prediking van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is zij Gods kracht. Er staat immers geschreven: Verdelgen zal Ik de wijsheid der wijzen en het verstand der verstandigen zal Ik tenietdoen. De wijze, de geleerde, de redetwister van deze tijd, waar zijn zij? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt? In Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden; daarom heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van de verkondiging. Want Joden eisen wonderen, heidenen verlangen wijsheid. Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, joden zowel als heidenen, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid. Want de dwaasheid van God is wijzer dan de mensen, en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.