In die tijd bracht de Engel mij naar de oostpoort. En daar, vanuit het oosten, zag ik de God van Israël in al zijn luister verschijnen, met een geluid als het gebulder van de zee, en de aarde straalde ervan. Wat ik zag, leek op wat ik had gezien toen ik de verwoesting van de stad zag, en op wat ik had gezien bij het Kebarkanaal, en ik wierp me voorover op de grond. De luisterrijke verschijning van de Heer ging door de oostpoort de tempel binnen. Toen hief een geest mij op en bracht me naar de binnenhof, en ik zag dat de tempel vol was van de luister van de Heer. Toen werd er vanuit de tempel tegen mij gesproken, terwijl de man naast mij stond: ‘Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon, de plaats waar ik mijn voeten zet. Hier zal Ik voorgoed blijven wonen te midden van de Israëlieten.
Aanhoren wil ik wat God ons zegt. De Heer spreekt woorden van vrede. Voor wie Hem eren is zijn hulp nabij: zijn glorie komt wonen in ons land. Trouw en waarheid omhelzen elkaar, recht en vrede begroeten elkaar met een kus. Uit de aarde bloeit de waarheid op, het recht ziet uit de hemel toe. De Heer geeft al het goede: ons land zal vruchten geven. Het recht gaat voor God uit en baant voor Hem de weg.
In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: 'Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. Zij maakten bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken. Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen, ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen rabbi genoemd worden. Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar een Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand van u op aarde vader; gij hebt maar een Vader, de hemelse. En laat u ook geen leraar noemen; gij hebt maar een leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.
Stop niet met het doen van nederige en liefdevolle daden voor God en de mensen; want God spreekt tegen hem die zijn hart nederig houdt voor Hem, en Hij verrijkt hem met zijn gaven. Als God je voor het lijden van zijn Zoon bewaart en je aan je eigen zwakheid wil laten raken, dan is het beter om nederig te zijn, dan om de moed te verliezen. Laat een gebed van overgave en hoop tot God opstijgen als je kwetsbaarheid je val veroorzaakt, en dank de Heer voor alle genade waarmee Hij je verrijkt.
In die dagen kwam de hand van de Heer op mij; zijn geest nam mij mee en zette mij neer in een dal dat vol beenderen lag. Hij leidde mij er in alle richtingen tussendoor, en ik zag hoeveel er over heel het dal wel lagen en hoe dor ze waren. Daarop vroeg Hij mij: 'Mensenkind, zouden deze beenderen nog tot leven kunnen komen?' Ik antwoordde: 'God mijn Heer, dat weet Gij alleen.' Toen zei Hij: 'Profeteer over deze beenderen en zeg: Dorre beenderen, luister naar het woord van de Heer. Dit zegt God de Heer tot deze beenderen: Ik ga de levensgeest in u brengen, en ge komt weer tot leven. Ik leg pezen op u, bekleed u met vlees en overtrek u met een huid; dan schenk Ik u de levensgeest en ge komt weer tot leven. Dan zult ge erkennen dat Ik de Heer ben.' Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. En zodra ik begon, ontstond er een gedruis: de beenderen voegden zich aaneen, elk op zijn plaats. En ik zag hoe er pezen op kwamen en vlees en hoe ze met een huid overtrokken werden. Maar de levensgeest was er nog niet in. Toen zei Hij tot mij: 'Profeteer tot de levensgeest, profeteer, mensenkind en zeg tot de levensgeest: Dit zegt God de Heer: Kom, van de vier windstreken, levensgeest, en blaas in deze gevallenen: dat ze weer leven.' Ik profeteerde zoals mij opgedragen was en de levensgeest kwam erin. Ze werden weer levend en gingen overeind staan: een onoverzienbaar leger. Daarop zei de Heer tegen mij: 'Mensenkind, deze beenderen zijn het volk Israël. Bij hen leeft de gedachte: Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan. Profeteer daarom en zeg tegen hen: Dit zegt God de Heer: Ik ga uw graven openen; Ik wek u in groten getale daaruit op en voer u terug naar Israëls grond. En wanneer Ik dan uw graven geopend heb en u in massa's zal hebben weggevoerd uit uw graven, zult gij weten dat Ik de Heer ben. Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven; Ik zal u vestigen op uw eigen grond en gij zult weten dat Ik de Heer ben: Wat Ik zeg, dat volbreng Ik!” Zo luidt de godsspraak van de Heer.