Toen nu Jeroboam in die tijd eens van Jerusalem kwam, ontmoette hij den profeet Achi-ja uit Sjilo. Deze droeg een nieuwe mantel. En toen ze samen alleen op het veld waren, greep Achija de nieuwe mantel, die hij om had, en scheurde hem in twaalf stukken. En hij sprak tot Jeroboam: Neem tien stukken voor u! Want zo spreekt Jahweh, Israëls God: Zie, Ik scheur het koninkrijk uit de hand van Salomon, en geef tien stammen aan u; slechts één stam mag hij behouden, terwille van mijn dienaar David en terwille van Jerusalem, de stad, die Ik Mij uit alle stammen van Israël heb uitverkoren. Zo scheurde Israël zich van het huis van David los; dit bleef zo tot op de huidige dag.
Nooit mag er een vreemde god zijn bij u, aanbid geen goden uit andere landen. Want Ik ben de Heer, uw enige God, die u uit Egypte geleid heb Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, En Israël gehoorzaamde niet; Toen liet ik hen begaan, koppig volgden zij hun eigen inzicht. Ach, wilde mijn volk maar horen, wilde Israël mijn wegen maar volgen. Spoedig zou ik zijn vijanden vernederen, zou mijn hand zich keren tegen zijn belagers.
In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus , begaf zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekapolis. Men bracht een dove bij Hem, die ook moeilijk kon spreken en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen. Jezus nam hem terzijde buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel op, zuchtte en sprak tot hem: 'Effeta ', wat betekent: Ga open. Terstond gingen zijn oren open en werd de band van zijn tong losgemaakt, zodat hij normaal sprak. Hij verbood hun het aan iemand te zeggen; maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het. Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit: 'Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken.'
We moeten van nabij onderzoeken wat de mens doof maakt. Door het oor te luisteren gelegd te hebben bij de insinuaties van de vijand, door zijn woorden gehoord te hebben, is het eerste paar van onze voorvaderen het eerst doof geworden. En na hen ook wij en wel zo dat we de liefdevolle influisteringen van het eeuwige Woord niet meer kunnen horen of begrijpen. Toch weten we dat het eeuwige Woord de basis van ons zijn is, zo onuitwisbaar in ons en bij ons dat ons eigen wezen, onze eigen natuur, onze gedachten en alles wat we op kunnen noemen, zeggen of begrijpen, dat alles is niet zo dicht bij ons en is niet zo intiem aanwezig als het eeuwige Woord dat is. En dat Woord spreekt onophoudelijk in de mens. Maar de mens hoort het niet door de grote doofheid die hem heeft aangetast... Ook is hij erg aangetast in zijn andere vermogens zodat hij stom is geworden en zodat hij zichzelf niet meer kent. Als hij van binnenuit wil spreken, dan zou hij dat niet kunnen, niet wetend waar hij is en niet zijn eigen wijze van zijn kennende... Wat is toch dat schadelijke gefluister van de Vijand? Dat is de chaos die hij je laat zien door zijn spiegelende kant en waarmee hij je overhaalt om het te aanvaarden, door zich te bedienen van de liefde of de zoektocht van de geschapen dingen, van deze wereld en van alles wat zich daar aan vasthecht: goederen, eer, zelfs vrienden en ouders, ja zelfs je eigen aard, kortom alles wat je smaak brengt in de goederen van deze verscheurde wereld. Uit dat alles bestaat zijn influistering. Dan komt onze Heer: Hij legt zijn heilige vinger, met spuug van zijn tong, in het oor van de mens, dat maakt dat de mens het woord terugvindt.
Op zijn oude dag werd Salomon door zijn vrouwen tot de dienst van vreemde goden verleid, zodat zijn hart niet altijd onverdeeld aan Jahweh, zijn God, toebehoorde, zoals het hart van zijn vader David. Salomon begon Asjtarte, de godin der Sidoniërs, en Milkom, de gruwel der Ammonieten, te vereren; hij deed dus wat slecht was in de ogen van Jahweh, en bleef Hem niet altijd trouw, zoals zijn vader David. Zelfs bouwde Salomon een offerhoogte voor Kemosj, de gruwel van Moab, op de berg ten oosten van Jerusalem, en een voor Molok, de gruwel der Ammonieten. Hetzelfde deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die voor haar goden wierook wilden branden en offeren. Toen werd Jahweh vergramd op Salomon. omdat hij zijn hart had afgewend van Jahweh, Israëls God, die hem tot tweemaal toe was verschenen, en hem uitdrukkelijk had geboden, geen vreemde goden te dienen. En omdat Salomon zich niet aan Jahweh’s gebod had gehouden, sprak Jahweh tot hem: Omdat het met u zover is gekomen, dat gij u niet gehouden hebt aan mijn verbond, noch aan de wetten, die Ik u gaf, daarom zal Ik u het koninkrijk ontnemen en het geven aan uw knecht. Terwille van David, uw vader, zal Ik het echter niet bij uw leven doen; maar Ik neem het af van uw zoon. Ook zal Ik niet het hele koninkrijk afnemen, maar één stam aan uw zoon geven, terwille van mijn dienaar David en van Jerusalem, dat Ik mij heb uitverkoren.