Elia de profeet stond op als een vuur, zijn woord brandde als een fakkel. Hij bracht hongersnood over hen en door zijn ijver verminderde hij hun aantal. Krachtens het woord van de Heer sloot hij de hemel en bracht hij drie maal vuur naar beneden. Wat hebt gij een roem verworven, Elia, door uw wonderdaden! Wie kan erop roemen u te evenaren? Gij hebt een gestorvene opgewekt uit de dood en uit het dodenrijk, krachtens het woord van de Allerhoogste. Koningen hebt gij in het verderf gestort en aanzienlijken in hun bed laten sterven. Op de Sinaï hebt gij terechtwijzingen gehoord en op de Horeb strafgerichten. Gij hebt koningen gezalfd als vergelders en een profeet als uw opvolger. Gij zijt opgenomen in een wervelstorm, hemelwaarts in scharen van vuur. Van u staat geschreven dat gij u gereed houdt voor de vastgestelde tijd, om de toorn te stillen aleer hij gaat woeden, om de harten van de vaders naar de zonen te keren en de stammen van Jakob te herstellen. Gelukkig degenen die u gezien hebben en ontslapen zijn, maar veeleer gelukkig gij, omdat gij leeft. Dit was Elia, die in een wervelstorm verdween; en met zijn geest werd Elisa vervuld; hij heeft in zijn dagen voor geen heerser gebeefd en niemand is sterker geweest dan hij. Niets ging zijn kracht te boven en nog in de doodslaap profeteerde zijn lichaam. Bij zijn leven deed hij wonderen en ook na zijn dood waren zijn werken wonderbaarlijk. Met dat al bekeerde het volk zich niet en hielden zij niet op met hun zonden, totdat zij uit het land werden weggesleurd en over heel de aarde verstrooid.
De Heer is koning, de aarde mag juichen, blij zijn de landen rondom de zee. Donkere wolken vormen zijn lijfwacht, recht en gerechtigheid dragen zijn troon. Laaiende vlammen draven vooruit, verslinden rondom zijn bestrijders. Bliksemschichten verlichten zijn pad, de aarde ziet toe met ontzetting. Bergen smelten als was voor de Heer, de Heerser van heel de wereld. De hemel verkondigt zijn heiligheid en alle volken aanschouwen zijn glorie. Die beelden aanbidden worden beschaamd, zij die op hun afgoden groot gaan. Voor Hem werpen alle goden zich neer.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw Rijk kome, Uw wil geschiede Op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad. Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.
“Geef ons vandaag ons bovenwezenlijk brood, epiousion* ” (Mt. 6,11), en volgens een andere evangelist: “ons dagelijks brood” (Lc. 11,3). De eerste benaming drukt de verhevenheid en de aard van dit brood uit: het overstijgt elke andere substantie en gaat door zijn sublieme grootheid en heiligheid alle schepselen te boven. De tweede benaming wijst op het gebruik en het nut ervan: het woord “dagelijks” laat zien dat wij zonder dit brood geen enkele dag van het geestelijk leven kunnen bestaan. Wat het woord “vandaag” betreft, het toont aan dat men zich er elke dag mee moet voeden, en dat het niet voldoende zou zijn het gisteren ontvangen te hebben, als het ons vandaag niet opnieuw wordt gegeven. Laat de dagelijkse nood die wij eraan hebben ons aansporen om dit gebed te allen tijde te bidden! Er is geen dag waarop wij dit brood niet nodig hebben om het hart van onze innerlijke mens te versterken. Maar “vandaag” kan ook betrekking hebben op het huidige leven: “Zolang wij in deze wereld zijn, geef ons dit brood. Wij weten dat Gij het ook in de komende wereld zult geven aan hen die het verdiend hebben. Maar wij bidden U het ons reeds vandaag te schenken, want wie het in dit leven niet ontvangen heeft, zal er in het andere geen deel aan kunnen hebben.” transliteratie van het Griekse woord dat in het evangelie wordt gebruikt *
Kort voordat de Heer Elia in een stormwind ten hemel wilde opnemen, vertrok Elia van Gilgal, en Elisa ging met hem mee. Nu sprak Elia tot hem: Blijf hier; want de Heer heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij antwoordde: Zo waar de Heer leeft, en bij uw leven; ik verlaat u niet. Daarop gingen ze samen verder. Vijftig van de profetenzonen volgden hen, maar bleven in de verte staan, toen ze samen bij de Jordaan stil hielden. Nu nam Elia zijn mantel, rolde hem op, en sloeg er mee op het water. En dit verdeelde zich in tweeën, zodat zij beiden droogvoets konden oversteken. Aan de overkant aangekomen, sprak Elia tot Elisa: Doe nu een verzoek; wat moet ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen. Elisa antwoordde: Dat ik een dubbel deel van uw geest mag ontvangen. Elia sprak: Ge vraagt heel veel; maar als ge mij ziet, wanneer ik van u word weggenomen, wordt uw bede vervuld; ziet ge me niet, dan geschiedt het niet. Terwijl ze nu al sprekende verder gingen, kwam er opeens een vurige wagen met vurige paarden; ze werden van elkander gescheiden, en Elia voer in een stormwind ten hemel. Toen Elisa dit zag, riep hij uit: Vader, mijn vader; Israëls strijdwagens en ruiterij! Maar hij zag hem niet meer; en hij greep zijn klederen, en scheurde ze vaneen. Nu raapte hij de mantel op, die Elia had laten vallen, keerde terug en bleef bij de Jordaanoever staan. Daar nam hij de mantel van Elia, en sloeg er mee op het water; maar het verdeelde zich niet. Toen riep hij uit: Waar is de Heer dan toch, de God van Elia? En weer sloeg hij op het water; nu verdeelde het zich in tweeën, zodat hij kon oversteken.