Broeders en zusters, weest als pasgeboren kinderen begerig naar de geestelijke, onvervalste melk, die u wasdom zal schenken ter zaligheid. Gij hebt immers al geproefd van de zoetheid des Heren. Treedt toe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God. Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel. Draagt als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht: gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd. Dierbare vrienden, ik vraag u als vreemdelingen en ballingen u te onthouden van zondige lusten die strijd voeren tegen de ziel. Leidt onder de heidenen een voorbeeldig leven; dan zullen zij die u nu als boosdoeners belasteren, bij nader toezien God om uw goede daden verheerlijken, op de dag dat Hij komt rechtspreken.
Juicht voor de Heer, alle landen dient met blijdschap de Heer treedt onbezorgt voor zijn aanschijn; Waarlijk de Heer is God. Hij is de Schepper en Meester, wij zijn kudde zijn volk. Trekt met een lied door zijn poorten, komt in zijn voorhof met zang. Zegent zijn Naam en eert Hem Hij is ons goed gezind, eindeloos is zijn erbarmen, trouw van geslacht op geslacht.
In die tijd kwam Jezus, vergezeld van zijn leerlingen in Jericho. Maar toen ze vergezeld van een flinke menigte, uit Jericho wegtrokken, zat een blinde bedelaar, Bartimeüs, de zoon van Timeüs, langs de weg. Zodra hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij luidkeels te roepen: 'Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!' Velen snauwden hem toe te zwijgen, maar hij riep nog veel harder: 'Zoon van David, heb medelijden met mij!' Jezus bleef staan en zei: 'Roep hem eens hier.' Ze riepen de blinde toe: 'Heb goede moed! Sta op. Hij roept u.' Hij wierp zijn mantel af, sprong overeind en kwam naar Jezus toe. Jezus vroeg hem: 'Wat wilt ge dat Ik voor u doe?' De blinde antwoordde Hem: 'Rabboeni, maak dat ik zien kan!' En Jezus sprak tot hem: 'Ga, uw geloof heeft u genezen.' Terstond kon hij zien en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht.
“Ik ben het licht van de wereld” (Joh. 8,12). Hij is het licht dat alle lichten van de aarde hun glans geeft: de materiële lichten zoals de zon, de maan, de sterren en de lichamelijke zintuigen van de mens, maar ook het geestelijke licht, het verstand van de mens, waardoor alle schepselen moeten terugkeren naar hun oorsprong. Zonder deze terugkeer zijn deze geschapen lichten op zichzelf ware duisternis, vergeleken met dit ware licht naar zijn wezen, dat een licht is voor de hele wereld. Onze dierbare Heer zegt ons: “Doe afstand van jouw licht, dat in werkelijkheid duisternis is in vergelijking met het Mijne en dat tegengesteldaan Mij is; want Ik ben het ware licht, en Ik wil je in ruil voor jouw duisternis mijn eeuwig licht geven, opdat het jou toebehoort zoals het Mij toebehoort en opdat jij, zoals Ikzelf, mijn wezen, mijn leven, mijn geluk en mijn vreugde zult bezitten.” Wat is dan de kortste weg die naar het ware licht leidt? Dit is de weg: zichzelf werkelijk verloochenen, liefhebben en alleen God op het oog hebben…, in niets zijn eigen belang zoeken, maar enkel de eer en de glorie van God verlangen en zoeken, alles onmiddellijk van God verwachten en zonder omweg of tussenpersoon alles tot Hem terugbrengen, vanwaar het ook komt, zodat er tussen God en ons een geheel onmiddellijke stroom en terugstroom bestaat. Dat is de ware, rechte weg.
Broeders en zusters, gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat gij van uw vaderen had geërfd. Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder vlek of gebrek, dat uitverkoren was voor de grondlegging der wereld, maar eerst op het einde der tijden is verschenen, om uwentwil. Door Hem gelooft gij in God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom is uw geloof in God tevens hoop op God. Nu gij uw ziel gereinigd hebt door de waarheid gehoorzaam te aanvaarden, moet gij elkander beminnen met oprechte broederliefde, met hart en vurigheid, als mensen die opnieuw geboren zijn, niet uit een vergankelijk zaad, maar door het onvergankelijke woord van de levende en eeuwige God. Want alle vlees is als gras en heel zijn luister als een veldbloem. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord des Heren blijft in eeuwigheid. En dit woord is de boodschap die u in het evangelie is verkondigd.