In die dagen zeiden de priesters en de profeten tot de edelen en tot alle aanwezigen: 'Deze man is de dood schuldig. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd; u hebt het zelf gehoord.' Maar Jeremia zei tot de edelen en tot alle aanwezigen: 'Alle bedreigingen tegen deze tempel en tegen deze stad die u hebt gehoord, heb ik uitgesproken in opdracht van de Heer. Beter dus uw leven, luister naar de Heer uw God. Misschien krijgt Hij dan spijt over het onheil waarmee Hij u heeft bedreigd. Met mij kunt u natuurlijk doen wat u wilt: ik ben in uw macht. Maar als u mij doodt, moet u wel weten dat u onschuldig bloed brengt over uzelf, over deze stad en over haar inwoners, want het is in opdracht van de Heer, dat ik dit alles verkondig.' Daarop zeiden de edelen en alle aanwezigen tot de priesters en de profeten: 'Deze man is de dood niet schuldig. Hij heeft tot ons gesproken namens de Heer.' Het was vooral aan Achikam, zoon van Safan, te danken, dat Jeremia niet in handen viel van het gepeupel dat hem wilde doden.
Mij gebed richt ik tot U nu is het de tijd van genade. Red mij uit de modderpoel waarin ik verzink bevrijd mij van hen die mij haten. Geef dat ik niet in de diepte verdrink, Niet meegevoerd word door de stroom. Zorg dat de afgrond mij niet verslindt, de mond van de put niet boven mij dichtslaat. Ik ga gebogen onder mijn smart; God, laat; uw hulp mij beschermen. God Naam zal ik loven in mijn gezang, Hem dankbaar overal prijzen. Ziet toe, geringen, en weest verheugd, schept moed gij allen die God zoekt God luistert naar wat een arme Hem vraagt, vergeet zijn gevangenen niet
In die tijd begon Jezus' vermaardheid tot de viervorst Herodes door te dringen, en hij zei daarom tot zijn hovelingen: 'Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is uit de doden opgestaan; vandaar dat die wonderkrachten in hem werken.' Want omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, had Herodes Johannes laten grijpen en geboeid in de gevangenis geworpen, omdat hij tot hem gezegd had: 'Het is u niet geoorloofd haar als vrouw te hebben.' Daarom had Herodes hem eigenlijk ter dood willen brengen, waar hij was hiervoor teruggeschrokken omdat het volk hem voor een profeet hield. Toen de dochter van Herodes echter op de verjaardag van Herodes voor het gezelschap danste, beviel zij hem zo zeer dat hij een eed zwoer haar alles te zullen geven wat zij zou vragen. Haar moeder had haar het antwoord ingescherpt en daarom zei ze: 'Geef mij, hier nog, op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.' Ofschoon dit de koning aan zijn hart ging wilde hij toch, ook wegens zijn tafelgenoten, zijn eed gestand doen en hij gelastte het te geven. Hij gaf daarom opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. Zijn hoofd werd op een schotel binnengebracht. Zijn leerlingen kwamen het lijk halen en begroeven het; daarna gingen zij het aan Jezus melden.
"Niemand heeft ooit God gezien. De eniggeboren Zoon die aan het hart van de Vader rust, heeft Hem doen kennen" (Joh 1,18). Het goddelijke is onkenbaar en onbegrijpbaar: "Niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon" (Mt 11,27), en de heilige Geest weet ook wat van God komt... Maar na deze eerste en gelukzalige goddelijke kennis, heeft nooit iemand God gekend, mits God zich niet Zelf aan hem geopenbaard heeft... Toch heeft God ons niet in complete onwetendheid gelaten, want iedereen heeft de kennis, die door Hem is gezaaid, dat er een God is. De schepping zelf verkondigt door haar samenhang en haar richting, het wonder van de goddelijke natuur (cf Rm 1,20). Vervolgens hebben de Wet en de profeten, en daarna zijn eniggeboren Zoon, de Heer, "onze God en Verlosser Jezus Christus" (2P 1,1), de kennis van God geopenbaard, in de mate van wat wij kunnen bereiken. Daarom aanvaarden we alles wat ons door de Wet en de profeten, de apostelen en de evangelisten, is overgebracht, wij kennen het, en wij passen onze toewijding daar op aan en we zoeken niet verder dan dat. God is goed; Hij zorgt voor alles... Daar Hij alles weet en voorziet wat een ieder toekomt, heeft Hij aan ons geopenbaard wat nuttig voor ons is om te weten en heeft Hij voor ons verzwegen over hetgeen wij niet kunnen dragen. Laten we daarmee tevreden zijn en laten we daarbij blijven.
In het begin van de regering van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de Heer tot Jeremia: Dit zegt de Heer: Ga naar de tempel van de Heer en zeg in de voorhof tot hen die uit de steden van Juda naar de tempel komen om Hem te aanbidden alles wat Ik u opdraag, zonder een woord weg te laten. Misschien luisteren zij en komen ze tot inkeer, zodat Ik spijt krijg over de rampen die Ik tegen hen om hun zondig leven beraamde. Zeg daarom tot hen: Dit zegt de Heer: Als ge niet naar Mij luistert en niet leeft volgens de wet die Ik u heb gegeven. als ge niet luistert naar mijn dienaars, de profeten die Ik telkens weer, maar vergeefs, naar u zend, dan doe Ik met dit huis hetzelfde als Ik met Silo gedaan heb en deze stad maak Ik tot een vloek bij alle volken op aarde. De priesters, de profeten en alle aanwezigen hoorden de rede die Jeremia in de tempel hield. Nauwelijks had Jeremia de rede die hij in opdracht van de Heer voor alle aanwezigen hield beëindigd, of de priesters, de profeten en alle aanwezigen grepen hem vast en schreeuwden: 'Sterven zul je! Hoe durf je als profeet van de Heer te zeggen: Deze tempel zal het vergaan als de tempel van Silo en deze stad wordt een puinhoop, zonder bewoners.' En allen stormden tegelijk op Jeremia af in de tempel van de Heer.