In die dagen sprak Mozes tot het volk: Denk eens terug aan heel de tocht, die de Heer, uw God, u deze veertig jaren door de woestijn liet maken, en hoe Hij u enkel daarom vernederd heeft en beproefd, om uw gezindheid te kennen, of gij zijn geboden zoudt onderhouden, of niet. Hij heeft u vernederd, en u honger doen lijden; maar Hij heeft u ook met het manna gespijzigd, dat gij nooit hadt gekend, en ook uw vaderen niet kenden, om u te leren, dat de mens niet leeft van brood alleen, maar leeft van al wat komt uit Jahweh’s mond. laat dan uw hart zich niet verheffen! Vergeet toch nimmer de Heer, uw God, die u uit Egypteland, uit het slavenhuis heeft geleid; die u door die grote woestijn heeft gevoerd, zo vreselijk door giftige slangen en schorpioenen, en door dorre streken zonder water; die water heeft doen ontspringen aan de steenharde rots; die u in de woestijn met manna heeft gevoed, dat uw vaders niet hebben gekend, en die u enkel daarom heeft vernederd en beproefd, om u ten slotte weldaden te bewijzen.
Uw gunsten, Heer, wil ik bezingen, uw trouw verkondigen aan elk geslacht. Gij hebt gezegd; mijn gunst blijft eeuwig duren, de hemel is de grondslag van mijn trouw. Gelukkig is het volk, dat weet wat blijdschap is omdat het leeft, Heer in het licht van uw gelaat. Van dag tot dag vertrouwt het op uw Naam, vindt het zijn kracht in uw gerechtigheid. Want Gij zijt onze roem en onze sterkte, uw gunst maakt ons een groot en machtig volk. Want van de Heer ontvingen wij ons schild, de Heilige van Israëls gaf ons een koning.
Broeders en zusters, geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het brood een is, vormen wij allen tezamen een lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood.
In die tijd zei Jezus tot de menigte der Joden: Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.' De Joden geraakten daarover met elkaar in twist en zeiden: 'Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?' Jezus sprak daarop tot hen: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij. Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen, die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.'
Wie van ons, mijn broeders en zusters, had ooit kunnen begrijpen dat Jezus Christus zijn liefde voor zijn schepselen zo ver zou voeren dat Hij hun zijn aanbiddelijk Lichaam en zijn kostbaar Bloed zou geven tot voedsel voor onze zielen, als Hij het ons zelf niet had gezegd? Wat! mijn broeders en zusters, een ziel die zich voedt met haar Verlosser!… en dat zo vaak als zij het verlangt!… O afgrond van goedheid en liefde van een God voor zijn schepselen!… De heilige Paulus zegt ons, mijn broeders en zusters, dat de Verlosser, door onze menselijke natuur aan te nemen, zijn godheid heeft verborgen en zich heeft vernederd tot zelfontlediging. Maar door het aanbiddelijk sacrament van de Eucharistie in te stellen, heeft Hij zelfs zijn mensheid verhuld en niets anders laten zien dan de diepten van zijn barmhartigheid. O mijn broeders en zusters, zie waartoe de liefde van een God voor zijn schepselen in staat is!… Nee, mijn broeders en zusters, van alle sacramenten is er geen enkel dat te vergelijken is met dat van de Eucharistie. (…) De heilige Johannes zegt dat Jezus Christus, “die de zijnen beminde tot het uiterste” (Joh. 13,1), een manier vond om naar de hemel op te stijgen zonder de aarde te verlaten: Hij nam brood in zijn heilige en eerbiedwaardige handen, zegende het en veranderde het in zijn Lichaam; Hij nam wijn en veranderde die in zijn kostbaar Bloed, en gaf aan alle priesters, in de persoon van zijn apostelen, de macht om hetzelfde wonder te verrichten telkens wanneer zij dezelfde woorden uitspreken; opdat Hij door dit wonder van liefde bij ons zou kunnen blijven, ons tot voedsel zou zijn, ons zou troosten en bij ons zou blijven. (…) O mijn broeders en zusters, wat een geluk voor een christen om te verlangen naar zo’n grote eer: zich te voeden met het brood van de engelen!… Ach, mijn broeders en zusters, als wij de grootheid van het geluk zouden begrijpen dat wij hebben wanneer wij Jezus Christus ontvangen, zouden wij dan niet voortdurend ons best doen om het waardig te zijn?