Nadat zij van Refidim opgebroken, en in de woestijn van de Sinaï waren gekomen, sloeg Israël zijn legerplaats op in de woestijn, en legerde zich daar tegenover de berg. Nu klom Moses omhoog naar God. En Jahweh riep tot hem van de berg: Dit moet ge aan het huis van Jakob zeggen, en aan Israëls zonen verkondigen: "Gij hebt gezien, wat Ik aan Egypte gedaan heb, hoe Ik u op adelaarsvleugelen heb gedragen en u tot Mij heb gebracht. Zo gij Mij gehoorzaamt en mijn Verbond onderhoudt, zult gij onder alle volken mijn bijzonder eigendom zijn; want Mij behoort de hele aarde. Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk". Zo moet ge tot de zonen Israëls spreken.
Juicht voor de Heer, alle landen dient met blijdschap de Heer treedt onbezorgt voor zijn aanschijn; Waarlijk de Heer is God. Hij is de Schepper en Meester, wij zijn kudde zijn volk. Hij is ons goed gezind, eindeloos is zijn erbarmen, trouw van geslacht op geslacht.
Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. Niet licht zal iemand zijn leven geven voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand de moed hebben te sterven voor een goed mens. God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren. Des te zekerder zullen wij, nu wij eenmaal gerechtvaardigd zijn door zijn bloed, dank zij Hem ontkomen aan de toorn. Toen wij vijanden waren, zijn wij met Goed verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder zullen wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven. En dat niet alleen: nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen.
Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: 'De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.' Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen. Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeus, met zijn broer Johannes; Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, Simon de Ijveraar en Judas Iskariot, die Hem verraden heeft. Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: 'Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël. Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is nabij. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft duivels uit. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.
Alle werk van de landarbeider resulteert natuurlijk in oogst. Hoe kon Jezus dan de oogst een werk noemen dat nog in de kinderschoenen stond? Afgoderij regeerde de gehele wereld (...). Overal ontucht, overspel, losbandigheid, hebzucht, diefstal, oorlog (...). De aarde was vervuld van zoveel kwaad! Er was nog geen enkel zaadje gezaaid. De doornen, distels en onkruiden die de aarde bedekten, waren nog niet uitgetrokken. Er was nog geen ploegvoor getrokken, nog geen pad. En hoe kan Jezus dan zeggen dat de oogst overvloedig is? (...) De leerlingen zijn vanzelfsprekend van streek en onthutst: “Hoe kunnen wij ook maar onze mond openen, ons staande houden, tegenover zoveel mensen? Wij elven, hoe zullen wij al de bewoners van de wereld verbeteren? Zullen wij, zo onwetend, wijzen aanspreken? Wij, zo ontkleed, gewapende mannen? Wij ondergeschikten, autoriteiten? Wij kennen slechts een enkele taal, zullen wij in gesprek kunnen gaan met de heidense volkeren die vreemde talen spreken? Wie zullen ons ondersteunen, als zij niets eens onze taal begrijpen? Jezus wil niet dat dergelijke overwegingen hen in wanhoop zullen storten. En hij noemt het Evangelie een oogst. Het is of Hij hen wil zeggen: “Alles is voorbereid, alle afspraken zijn gemaakt. Ik stuur jullie op pad om het rijpe graan te oogsten; jullie zullen kunnen zaaien en oogsten op dezelfde dag.” Wanneer de landarbeider zijn huis verlaat om te gaan oogsten, loopt hij over van vreugde en straalt hij van geluk. Hij voorziet noch de moeite, noch de problemen die hij tegen zal komen (...). Leen me jullie spraakvermogen, zegt Christus, en jullie zullen het rijpe graan zien binnenkomen in de graanschuren van de Koning. En Hij zendt hen vervolgens uit, met de woorden: “Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld” (Mat 28,20).