In die dagen stuurde Amasja, de priester van Betel, aan Jerobeam, de koning van Israël, deze boodschap: “Binnen uw eigen Israël smeedt Amos een complot tegen u; het land is tegen al die dreigementen van hem niet bestand. Want hij, Amos, zegt: Jerobeam zal sterven door het zwaard en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.” En tot Amos zei Amasja: “Ziener, gij moet maken dat ge wegkomt! Verdwijn naar Juda en verdien daar uw brood maar met profeteren! Hier in Betel moogt ge niet meer profeteren, want dit heiligdom is van de koning en dit gebouw van het rijk.” Amos gaf Amasja ten antwoord: “Ik ben geen profeet of lid van een profetengilde, ik ben veehoeder en vijgenkweker. Maar de Heer heeft mij achter mijn beesten weggehaald en het is de Heer die mij gezegd heeft: Trek als profeet naar mijn volk Israël. Daarom, luister naar het woord van de Heer. Gij zegt wel: Je mag tegen Israël niet profeteren, tegen het huis Israël niet schuimbekken. Maar de Heer zegt: Uw vrouw zal in deze stad ontucht plegen, uw zonen en dochters zullen omkomen door het zwaard, uw eigen grond zal met het meetsnoer verkaveld worden; zelf zult gij op onreine grond moeten sterven en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.”
De wet van de Heer is volmaakt: levenskracht voor de mens. De richtlijn van de Heer is betrouwbaar: wijsheid voor de eenvoudige. De bevelen van de Heer zijn eenduidig: vreugde voor het hart. Het gebod van de Heer is helder: licht voor de ogen. Het ontzag voor de Heer is zuiver, houdt stand, voor altijd. De voorschriften van de Heer zijn waarachtig, rechtvaardig, geheel en al. Ze zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed, en zoeter dan honing, dan honing vers uit de raat.
In die tijd ging Jezus in een boot, stak over en kwam in zijn stad. Men bracht een lamme die op een bed lag, naar Hem toe. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: 'Hebt goede moed, mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.' Enkele schriftgeleerden zeiden nu bij zichzelf: 'Die man spreekt godslasterlijk.' Maar Jezus kende hun gedachten en zei: 'Waarom denkt gij kwaad bij uzelf? Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven: of: Sta op en loop? Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven ‑ en nu sprak Hij tot de lamme ‑: Sta op, neem uw bed en ga naar huis.' En hij stond op en ging naar huis. Toen de menigte dit zag, werd zij door ontzag bevangen en zij verheerlijkte God, die zulk een macht gegeven had aan mensen.
Er zijn twee dingen die alleen God toekomen: de eer om de biecht te ontvangen en de macht om te vergeven. Wij moeten bij Hem biechten en van Hem vergiffenis verwachten. Aan God alleen behoort immers het vergeven van zonden; wij moeten dus alleen bij Hem biechten. Maar de Almachtige, de Allerhoogste, heeft een zwakke en onbetekenende bruid genomen, en van die dienares heeft Hij een koningin gemaakt. Zij die teruggetrokken aan zijn voeten zat, heeft Hij naast zich geplaatst; want zij is uit zijn zijde voortgekomen en daarom heeft Hij zich met haar verloofd (Gn 2,22;Joh 19,34). En evenals dat alles wat van de Vader is, van de Zoon is en alles wat van de Zoon is van de Vader is door hun eenheid van nature (Joh 17,10), zo heeft ook de bruidegom al het zijne aan de bruid gegeven en Hij heeft de zorg op zich genomen voor alles wat aan de bruid toebehoort die Hij met zich verenigd heeft en ook met Zijn Vader. Daarom heeft de Bruidegom, die één is met de Vader en één is met de bruid, alles bij haar weggehaald wat Hij aan vreemds bij haar vond, en nagelde het aan het kruis, waar Hij de zonden op het hout heeft gebracht en ze door het hout heeft vernietigd. Wat natuurlijk en eigen is aan de bruid, heeft Hij aanvaard en opnieuw bekleed; wat Hem eigen en goddelijk is, heeft Hij aan zijn bruid gegeven... Hij deelt zo de zwakheid van de bruid evenals haar zuchten, en alles is gemeenschappelijk van de Bruidegom en de bruid: de eer om de biecht te mogen ontvangen en de macht om te vergeven. Dat is de reden van dit woord: "Gaat u aan de priester laten zien" (Mc 1,44).
Zoekt het goede en niet het kwade: dan zult gij leven, dan zal de Heer, de God van de machten, met u zijn, zoals gij altijd zegt. Haat het kwade, hebt het goede lief en handhaaft het recht in de stadspoort; misschien zal dan de Heer, de God van de machten, zich over de rest van Jozef ontfermen. Ik haat, Ik verfoei uw feesten, uw vieringen kan Ik niet luchten. De brandoffers en meeloffers die gij Mij brengt behagen Mij niet; uw vredeoffers van gemeste kalveren kan Ik niet meer aanzien. Spaar Mij het lawaai van uw liederen; de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen! Neen, het recht moet stromen als water, de gerechtigheid al een nooit uitdrogende beek.