Broeders en zusters, herinnert u wat door de apostelen van onze Heer Jezus Christus voorspeld is, Bouwt uw leven op uw hoogheilig geloof, bidt in de kracht van de heilige Geest, bewaart uzelf in Gods liefde, in afwachting van de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, die u het eeuwige leven zal schenken. En hebt medelijden met sommigen die twijfelen en tracht ze te redden door hen aan het vuur te ontrukken. Bij anderen evenwel moet uw medelijden gemengd zijn met vrees, en met afschuw zelfs voor hun door de zonde bezoedeld kleed. Aan Hem die bij machte is u voor struikelen te behoeden en onberispelijk en vreugdevol voor zijn heerlijkheid te doen verschijnen, aan de enige God, die ons redt door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, voor alle eeuwigheid en nu en in alle eeuwigheid! Amen.
God, mijn God, zijt Gij, ik zoek U met groot verlangen. Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart als dorre akkers naar regen. Zo zie ik omhoog naar de plaats waar Gij woont, beschouw ik uw macht en uw glorie. Meer waard dan het leven is mij uw genade, mijn mond verkondigt uw lof. Ik zal U prijzen zolang ik leef, mijn handen uitstrekken naar U. Mijn ziel wordt verzadigd met voedzame spijs, mijn mond zal U jubelend danken.
In die tijd kwam Jezus met zijn leerlingen in Jeruzalem. Terwijl Hij rondwandelde op het tempelplein, traden de hogepriesters en oudsten op Hem toe en vroegen Hem: 'Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven?' Jezus antwoordde: 'Ik zal u een enkele vraag stellen en als gij Mij daar antwoord op geeft, zal Ik u op mijn beurt zeggen krachtens welke bevoegdheid Ik dit alles doe. Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen? Geeft Mij daar een antwoord op.' Zij beraadslaagden onder elkaar: Als wij zeggen: van de hemel, dan zal Hij antwoordden: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken? Maar zeggen we: van de mensen?... Zij waren bang voor het volk, want iedereen hield Johannes voor een profeet. Zij gaven Jezus dus ten antwoord: 'Wij weten het niet.' Toen zei Jezus tot hen: 'Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.'
De persoonlijke Wijsheid van God, zijn eniggeboren Zoon, is de Schepper en Maker van alles. “Want alles hebt U met wijsheid geschapen”, zegt de psalmist, en: “Van uw rijkdom is de aarde vervuld” (Ps 104,24). (...) Ons verstand immers is een beeld van het Woord, dat de Zoon van God is, en zo is ook de Wijsheid die in ons is, op haar beurt een beeld van Hem die de Wijsheid is. Want door haar bezitten wij ons vermogen tot kennis en inzicht en worden wij ontvankelijk voor de scheppende Wijsheid; door haar zijn wij in staat de Vader te kennen. Immers, "wie de Zoon belijdt", zegt Hij, “heeft ook de Vader” (1Joh 2,23); en: “Wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft” (Mt 10,40). (...) Maar “volgens Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden; daarom heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van de verkondiging” (1 Kor. 1,21). Want niet meer, zoals in vroegere tijden, wilde God zich door een beeld en afschaduwing van de Wijsheid in het geschapene laten kennen; maar Hij liet de waarachtige Wijsheid zelf het vlees aannemen, mens worden en de dood op het kruis ondergaan, opdat door het geloof in Hem voortaan allen die geloven, konden worden gered. Het gaat om dezelfde Wijsheid van God. Eerst heeft zij zichzelf geopenbaard en in zichzelf heeft zij haar Vader geopenbaard door haar beeld in het geschapene. (...) Later is zij als het Woord vlees geworden, zoals Johannes zegt (vgl. 1,14). Na het vernietigen van de dood en na de redding van ons geslacht heeft het Woord zichzelf nog meer geopenbaard en door zichzelf de Vader: “Geef dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U hebt gezonden, Jezus Christus” (Joh 17,3). Zo werd de hele aarde vervuld met zijn kennis. Want de kennis van de Vader door de Zoon en van de Zoon uit de Vader zijn één. En de Vader verheugt zich over Hem, en met dezelfde blijdschap verheugt de Zoon zich over de Vader: “Ik was het over wie Hij zich verheugde; en dag in dag uit verheugde Ik Mij voor zijn aangezicht” (Spr 8,30).
Broeders en zusters, het einde van alle dingen is nabij. Weest dus bezonnen en nuchter opdat gij kunt bidden. Beoefent vooral de onderlinge liefde met volharding, want de liefde bedekt tal van zonden. Betoont elkander gastvrijheid zonder morren. Dient elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade, met de gaven, zoals ieder die heeft ontvangen: wie spreekt, moet beseffen dat hij Gods woorden spreekt; wie een dienst verricht, wete dat God het is die hem kracht verleent. Dan zal God in alles worden verheerlijkt door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de macht in de eeuwen der eeuwen. Amen. Dierbare vrienden, verwondert u niet over de brand die in uw midden woedt om u te louteren, alsof u iets ongewoons overkomt. Verheug u veeleer, juist in de mate dat gij deel hebt aan het lijden van Christus; dan zult gij juichen van blijdschap, wanneer zijn heerlijkheid zich openbaart.