Op Pinksteren trad Petrus naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot hen te richten: 'Gij allen, joodse mannen en bewoners van Jeruzalem, weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden. Voor heel het huis van Israel moet dus onomstotelijk vaststaan, dat God Hem en Heer en Christus heeft gemaakt, die Jezus, die gij gekruisigd hebt.' Toen zij dit hoorden, waren zij diep getroffen en zeiden tot Petrus en de overige apostelen: 'Wat moeten we doen, mannen broeders?' Petrus gaf hun ten antwoord: 'Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen. Want die belofte geldt u, uw kinderen en allen die verre zijn, zovelen de Heer onze God roepen zal.' Met nog vele andere woorden legde hij getuigenis af, en hij vermaande hen: 'Redt u uit dit ontaarde geslacht.' Die zijn woord aannamen lieten zich dopen, zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten.
De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort; Hij laat mij weiden op groene velden. Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten, Hij geeft mij weer frisse moed. Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden, omwille van zijn Naam. Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt. Uw stok en uw herdersstaf, geven mij moed en vertrouwen. Gij nodigt mij aan tafel tot ergernis van mijn bestrijders. Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol. Voorspoed en zegen verlaten mij nooit elke dag van mijn leven. Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.
Dierbaren, geduldig verdragen wat gij te lijden hebt, om uw goede daden, dat is het wat God behaagt. En het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten; gij moet in zijn voetstappen treden. Hij heeft geen zonde gedaan en in zijn mond is geen bedrog gevonden. Als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. Als men Hem leed aandeed, uitte Hij geen dreigementen. Hij liet zijn zaak over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. In zijn eigen lichaam heeft Hij onze zonden op het kruishout gedragen, opdat wij aan de zonden zouden afsterven en gaan leven voor gerechtigheid. Door zijn striemen zijt gij genezen. Want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen.
In die tijd zei Jezus: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.' Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen. Een andere keer zei Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. Allen die voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in) en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed.
Uw geliefde leerling Johannes is niet de enige die de in de hemel een open deur mocht aanschouwen. Aan alle mensen hebt U deze boodschap laten horen...: "Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden". U bent dus de Deur...Maar wat baat het ons, die nog op aarde leven, in de hemel een deur te zien die openstaat, als wij helemaal niet naar boven kunnen opstijgen? Paulus geeft ons hierop dit antwoord: "Hij die opstijgt is dezelfde als die is neergedaald" (Ef 4,10) Wie of wat heeft de apostel hier op het oog? De liefde. Want de liefde tot U, Heer, kan vanuit ons hart naar de hemel opstijgen, omdat deze liefde in uw Persoon vanuit de hemel naar ons is neergedaald. Omdat U ons liefhad, bent U uit de hemel naar ons neergedaald, als wij U liefhebben, zullen wij van de aarde naar U opstijgen. U hebt ons gezegd: "Ik ben de deur", -welnu, ik houd U aan uw eigen woorden en ik bezweer U: Doe nu Zelf voor ons open. Toon ons duidelijker in welk huis U de deur bent. Het huis waarvan U de deur bent, is, zoals reeds gezegd, de hemel, de woonplaats van de Vader. Van hem lezen wij toch: "De Heer heeft zijn troon in de hemel" (Ps 11,4). Het is zeker waar dat niemand tot de Vader komt tenzij door U, U die de deur bent (Joh 14,6)... Ik smeek U , Meester, antwoord ons op deze vraag: Waar woont U?" (Joh 1,38). Heel ons wezen roept om U, naar U zien wij vol verlangen uit. Uw antwoord komt zonder dralen: "Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij" (Joh 14,11). En elders: "Op die dag zult u weten dat Ik in mijn Vader ben, en u allen in Mij en Ik in u" (Joh 14,20)...De plaats waar U woont is dus de Vader en U bent de plaats waar de Vader woont. Maar uw woorden zeggen meer: ook wij zijn uw woonplaats, en U bent de onze.