Zo spreekt de bruid: Des nacht op mijn bed zoek ik mijn zielsbeminde, maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet. Ik sta op, doorkruis de stad, zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde, maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet. Daar kom ik de wachters tegen die de stad doorkruisen: 'Hebt U mijn zielsbeminde gezien?' Nauwelijks ben ik ze voorbij, of daar vind ik mijn zielsbeminde!
God, mijn God, zijt Gij, ik zoek U met groot verlangen. Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart als dorre akkers naar regen. Zo zie ik omhoog naar de plaats waar Gij woont, beschouw ik uw macht en uw glorie. Meer waard dan het leven is mij uw genade, mijn mond verkondigt uw lof. Ik zal U prijzen zolang ik leef, mijn handen uitstrekken naar U. Mijn ziel wordt verzadigd met voedzame spijs, mijn mond zal U jubelend danken. Want Gij zijt altijd mijn beschermer geweest, ik koester mij onder uw vleugels. Met heel mijn hart houd ik vast aan U, het is uw hand die mij steunt.
Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena, vroeg in de morgen ‑ het was nog donker ‑ bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggerold. Zij liep snel naar Simon Petrus en naar de andere, de door Jezus beminde leerling, en zei tot hen: 'Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.' Maria stond buiten bij het graf te schreien. En al schreiend boog zij zich naar het graf toe en zag op de plaats waar Jezus' lichaam gelegen had, twee in het wit geklede engelen zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde. Zij spraken haar aan: 'Vrouwe, waarom schreit ge?' Zij antwoordde: 'Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.' Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: 'Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?' In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: 'Heer, mocht gij Hem hebben weggenomen, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen.' Daarop zei Jezus tot haar: 'Maria!' Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: 'Rabboeni!' ‑ wat leraar betekent. Toen sprak Jezus: 'Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.' Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had, en wat Hij haar gezegd had.
Heer, hoewel U voor de rechtbank van Pilatus verscheen om geoordeeld te worden, hebt U de troon waarop U met de Vader zetelt nooit verlaten. Door uw verrijzenis uit de doden hebt U de wereld bevrijd uit de slavernij van de vijand om onze zielen te redden. Heer, toen U aan het kruis werd genageld en uw armen uitstrekte, hebt U door uw kracht de macht van de dood gebroken. U daalde af naar het dodenrijk en bevrijdde daar de zielen; door uw verrijzenis hebt U ook onze zielen opgewekt en met uw licht vervuld. Heer, hoewel U als een gestorvene in het graf werd gelegd, waakten de soldaten over U als over een slapende koning. Zij verzegelden het graf alsof het een schatkamer van leven was. Maar U bent verrezen en hebt aan onze zielen de gave van het onvergankelijke leven geschonken. Heer, toen uw engel de verrijzenis verkondigde, werden de wachters door schrik bevangen. Tot de vrouwen sprak hij: “Waarom zoekt u de Levende onder de doden? Hij is verrezen, want Hij is God, en Hij heeft het leven geschonken aan heel de schepping.”
Neem uw herdersstaf en weid uw volk, Heer, de schapen die uw erfdeel zijn; tussen de bomen, midden in het woud, zijn zij zo vereenzaamd. Laat ze weiden in Basan en Gilead, zoals in vroegere dagen. Ik laat wonderen zien, zoals in de dagen dat gij uit Egypte wegtrok. Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft, die voorbijgaat aan de zonde, door de rest van zijn erfdeel bedreven, die zijn toorn niet altijd laat duren, maar zijn vreugde vindt in goedheid? Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen, Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren. Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen. Aan Jakob zult Gij uw trouw, aan Abraham uw goedheid tonen, zoals Gij het onze vaderen hebt bezworen, in de dagen van weleer.