In die dagen sprak Stefanus tot het volk, tot de oudsten en de schriftgeleerden: Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oor, nog altijd weerstreeft gij de heilige Geest, juist zoals uw vaderen deden. Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd? Gedood hebben ze hen die de komst aankondigden van de Rechtvaardige, wiens verraders en moordenaars gij nu geworden zijt, gij nog wel die de Wet hebt ontvangen door bemiddeling van de engelen; maar ge hebt ze niet onderhouden!' Toen ze dit hoorden, werden ze woedend en knarsetandden tegen hem. Maar hij, vervuld van de heilige Geest, staarde naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus staande aan Gods rechterhand; en hij riep uit: 'Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.' Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als een man op hem af. Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Saulus heette. Terwijl zij Stefanus stenigden, bad hij: 'Heer Jezus, ontvang mijn geest.' Toen viel hij op zijn knieën en riep met luider stem: 'Heer, reken hun deze zonde niet aan.' Na deze woorden ontsliep hij. Saulus stemde in met de moord op deze man.
Wees mij een rots waar ik vluchten kan, een sterke burcht waar ik veilig kan toeven. Want altijd zijt Gij mijn rots en mijn vestig, uw Naam is mijn leider en gids. Vertrouwvol leg ik mijn geest in uw handen, Gij zult mij beschermen, getrouwe God. Ik stel op U mijn vertrouwen, Heer, Gij zult mij beschermen getrouwe God Laat over uw dienaar uw Aanschijn stralen, red mij door uw genade. De glans van uw Aanschijn beschermt mij altijd als mensen zich tegen mij keren. Gij neemt mij op in uw tent, beschut tegen kwade tongen.
In die tijd zei de menigte tot Jezus: 'Wat voor teken doet Gij dan wel, waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven?' Wat doet Gij eigenlijk? Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf hij hun te eten.' Jezus hernam: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.' Zij zeiden tot Hem: 'Heer, geef ons altijd dat brood.' Jezus sprak tot hen: 'Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.
Het eerste teken van liefde is dat Jezus ons zijn lichaam te eten geeft en zijn bloed te drinken: dat is iets ongehoords, wat van ons bewondering en verbazing vraagt. Het eigene van liefde is altijd geven en altijd ontvangen. Welnu, de liefde van Jezus is tegelijk wonderlijk en wenselijk. Alles wat Hij heeft en alles wat Hij is, geeft Hij; alles wat wij hebben en alles wat we zijn, neemt Hij. Hij heeft een enorme honger... Hoe meer onze liefde Hem zijn gang laat gaan, hoe beter we Hem proeven. Hij heeft een enorme, onstilbare honger. Hij weet goed dat wij arm zijn, maar daar houdt Hij geen enkele rekening mee. Hij maakt zichzelf tot brood voor ons, en laat eerst in zijn liefde, onze ondeugden, fouten en zonden, verdwijnen. Dan als Hij ons zuiver ziet, komt Hij begerig ons leven nemen en het veranderen in het zijne, de onze die vol is met zonden, de zijne die vol met genade en heerlijkheid is, helemaal voor ons bereid, als we alleen maar onszelf zouden kunnen verloochenen (Mt 16,24)... Allen die liefhebben zullen me begrijpen. Hij geeft ons de gave van eeuwige honger en dorst. Voor deze honger en dorst geeft Hij zijn lichaam en bloed als voedsel. Wanneer we deze ontvangen met innerlijke toewijding, dan stroomt zijn bloed vol met warmte en heerlijkheid van God in onze aderen. Het vuur laait op in ons diepste en de geestelijke smaak doordringt ons in lichaam en ziel. Hij maakt dat wij op zijn deugden lijken; Hij leeft in ons en wij leven in Hem.
In die dagen deed Stefanus, vol genade en kracht, grote wondertekenen onder het volk. Sommige leden echter van de zogenaamde synagoge der Vrijgelatenen, Cyreneeërs en Alexandrijnen en sommige mensen uit Cilicië en Asia begonnen met Stefanus te redetwisten, maar zij konden niet op tegen de wijsheid en de geest waarmee hij sprak. Toen stookten zij heimelijk mannen op om te verklaren: 'Wij hebben hem lastertaal horen spreken tegen Mozes en tegen God.' Tegelijkertijd ruiden zij zowel het volk als de oudsten en schriftgeleerden op. Onverhoeds maakten zij zich van hem meester en brachten hem voor het Sanhedrin, waar men valse getuigen liet optreden die beweerden: 'Die man houdt niet op te spreken tegen de heilige plaats en tegen de Wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat die Nazoreeer Jezus deze plaats zal afbreken en de voorschriften veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd.' Alle leden van het Sanhedrin vestigden hun blik op hem en zagen dat zijn gelaat leek op dat van een engel.