In die dagen trokken zij die vanwege de vervolging verspreid waren, verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij het woord alleen maar aan de Joden predikten. Maar er waren onder hen mannen uit Cyprus en Cyrene, die na hun komst in Antiochië zich ook tot de Grieken richtten en hun de Heer Jezus verkondigden. De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde. Het gerucht over hun optreden kwam ook de Kerk van Jeruzalem ter ore en men vaardigde Barnabas af naar Antiochië. Toen deze daar aankwam en Gods genade zag, verheugde hij zich en wekte allen op met hart en ziel de Heer trouw te blijven. Hij was een goed man, vol van heilige Geest en geloof. Veel mensen werden voor de Heer gewonnen. Daarop vertrok hij naar Tarsus om Saulus te gaan zoeken. Toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. Een vol jaar namen zij deel aan de bijeenkomsten in die gemeente en gaven onderricht aan een grote menigte. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd.
Zijn stad op de heilige bergen: de Heer heeft haar lief. De poorten van Sion veel meer dan alle tenten van Jakob. Hoe groots is het wat er van u wordt voorzegt, Jeruzalem, stad van God. Eens worden Egypte en Babel geteld tot hen die de Heer vereren. Ja, Filistijnen en Tyrus en Koes, ook zij worden burgens van Sion. Zij zullen dan zeggen: mijn moeder is zij, uit haar zijn wij allen geboren. En Hij zal zelf verklaren, de Allerhoogste, de Heer. Hij zal in het boek van de volkeren schrijven: ook deze horen daar thuis. Dan zullen zij dansen en zingen: de bron van ons leven zijt Gij.
In die tijd werd te Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd. Het was winter, en Jezus hield zich op in de tempel in de Zuilengang van Salomo. De Joden kwamen in een kring om Hem heen staan en zeiden tot Hem: 'Hoelang houdt Gij ons nog in spanning? Als Gij de Messias zijt, zegt het ons dan ronduit.' Jezus gaf hun ten antwoord: 'Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft het niet. De werken die Ik in naam van mijn Vader doe, zij leggen getuigenis over Mij af. Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort. Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven. Mijn Vader immers, die ze Mij gegeven heeft, is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven. Ik en de Vader, Wij zijn één.'
Het is moeilijk om te bidden als je niet weet hoe je moet bidden, maar we kunnen onszelf helpen om te bidden. Het eerste hulpmiddel daartoe is de stilte. We kunnen ons niet direct in de aanwezigheid van God begeven als we geen innerlijke en uiterlijke stilte beoefenen. Innerlijke stilte is heel moeilijk, maar we moeten er ons best voor doen. In stilte vinden we nieuwe energie en ware eenheid. De energie van God, waarmee we alles goed kunnen doen, zal ons toebehoren, en eveneens de eenheid van onze gedachten met de Zijne, de eenheid van onze gebeden met de Zijne, de eenheid van onze daden met de Zijne,van ons leven met Zijn leven. Eenheid is de vrucht van het gebed, van nederigheid , van liefde. In de stilte van ons hart spreekt God. Als je God in gebed onder ogen komt, weet je dat je niets voorstelt. Alleen wanneer je je nietswaardigheid beseft, kan God je vervullen met Zichzelf. Biddende zielen zijn zielen van grote stilte. Stilte geeft ons een nieuwe kijk op alles. We hebben stilte nodig om zielen te kunnen aanraken. Het belangrijkste is niet wat wij zeggen, maar wat God zegt tot en door ons. In die stilte luistert Hij naar ons; daar spreekt Hij tot onze ziel, en daar horen wij Zijn stem.
In die dagen hoorden de apostelen en de broeders in Judea dat ook de heidenen het woord van God hadden aangenomen. Toen Petrus dan in Jeruzalem kwam, maakten de gelovigen uit de besnijdenis hem het verwijt: 'Gij hebt het huis van onbesnedenen betreden en met hen gegeten.' Nu begon Petrus hun een geregeld verslag te geven: 'Ik was,' zo zei hij, 'in de stad Joppe aan het bidden, toen ik in een geestverrukking een visioen zag: een voorwerp, in de vorm van een groot laken, dat aan vier punten uit de hemel werd neergelaten, daalde uit de hemel en kwam tot vlak bij mij. Ik keek er naar met gespannen aandacht en zag viervoetige dieren, wilde beesten, kruipende dieren en vogels. Bovendien hoorde ik een stem die tot mij zei: Komaan Petrus, slacht en eet. Maar ik zei: Dat in geen geval Heer, want nooit kwam er iets onheiligs of onreins in mijn mond. Maar de stem uit de hemel liet zich ten tweeden male horen en gaf mij ten antwoord: Beschouw niet als onheilig wat God rein heeft verklaard. Dit gebeurde tot drie keer toe en toen werd alles weer naar de hemel opgetrokken. Terstond daarop vervoegden zich drie mannen bij het huis, waar we verbleven; ze waren uit Caesarea naar mij toegezonden. De Geest beval mij zonder bedenken met hen mee te gaan. Ook deze zes broeders gingen met mij mee en wij traden het huis van die man binnen. Hij vertelde ons, hoe hij een engel in zijn huis had zien staan die zei: Zend iemand naar Joppe om Simon, bijgenaamd Petrus, te halen. Die zal u zeggen op welke wijze gij en heel uw huis redding kunt vinden. Juist was ik begonnen te spreken, toen de heilige Geest op hen neerkwam, zoals in het begin ook op ons. Toen dacht ik terug aan het woord van de Heer, hoe Hij gezegd had: Johannes doopte met water, maar gij zult gedoopt worden met de heilige Geest. Indien God hun nu dezelfde gave gegeven heeft als aan ons, die reeds geloofden in de Heer Jezus Christus, hoe zou ik dan in staat geweest zijn God tegen te houden?' Toen zij dat gehoord hadden, waren zij gerustgesteld en verheerlijkten God met de woorden: 'Zo heeft God dan ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.'