Broeders en zusters, gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat gij van uw vaderen had geërfd. Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder vlek of gebrek, dat uitverkoren was voor de grondlegging der wereld, maar eerst op het einde der tijden is verschenen, om uwentwil. Door Hem gelooft gij in God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom is uw geloof in God tevens hoop op God. Nu gij uw ziel gereinigd hebt door de waarheid gehoorzaam te aanvaarden, moet gij elkander beminnen met oprechte broederliefde, met hart en vurigheid, als mensen die opnieuw geboren zijn, niet uit een vergankelijk zaad, maar door het onvergankelijke woord van de levende en eeuwige God. Want alle vlees is als gras en heel zijn luister als een veldbloem. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord des Heren blijft in eeuwigheid. En dit woord is de boodschap die u in het evangelie is verkondigd.
Loof nu de Heer, Jeruzalem, Sion, verheerlijk uw God! Want Hij heeft uw poorten stevig gegrendeld, uw zonen gezegend binnen uw muur. Hij laat in vrede uw akkers bebouwen en voedt u met tarwebloem Hij zendt zijn bevel uit over de aarde en haastig rept zich zijn woord. Hij is het die Jakob zijn woord heeft gezonden, zijn wet en geboden voor Israël. Nooit was er een volk dat Hij zo heeft behandeld, geen ander maakt Hij zijn wegen bekend.
In die tijd trokken de leerlingen voort, op weg naar Jeruzalem, en Jezus ging voor hen uit; zij waren ontdaan en ook die Hem volgden waren bevreesd. Hij nam opnieuw de twaalf terzijde en begon hun te spreken over wat Hem zou overkomen: 'Wij gaan nu naar Jeruzalem waar de Mensenzoon aan de hogepriesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en aan de heidenen overleveren; dezen zullen Hem bespotten en bespuwen, zij zullen Hem geselen en doden, maar drie dagen later zal Hij verrijzen.' Toen kwamen de zonen van Zebedeus, Jakobus en Johannes naar Hem toe en zeiden: 'Meester, wij willen dat U voor ons doet wat wij U vragen.' Hij antwoordde hun: 'Wat wilt ge dan dat Ik voor u doe?' Zij zeiden Hem: 'Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter ‑ en de ander aan uw linkerhand moge zitten.' Maar Jezus zei hun: 'Ge weet niet wat ge vraagt. Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink en met het doopsel gedoopt te worden waarmee Ik gedoopt wordt?' Zij antwoordden Hem: 'Ja, dat kunnen wij.' 'Inderdaad,' gaf Jezus toe, 'de beker die Ik drink, zult gij drinken, en met het doopsel waarmee Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden; maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter ‑ of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie dit is bereid.' Toen de tien anderen dit hoorden, werden ze kwaad op Jakobus en Johannes. Jezus echter riep hen bij zich en sprak tot hen: 'Gij weet dat zij die als heersers der volkeren gelden, hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet de slaaf van allen zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.'
"Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan" (Mt 26,39). Waarom maakte U Simon Petrus een verwijt toen hij zei: "Dat zal U niet overkomen" (Mt 16,22), en nu zegt U: "Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan"? Hij wist goed wat Hij tegen zijn Vader zei en dat het mogelijk was dat de beker voorbij zou gaan, maar Hij was gekomen om het voor allen leeg te drinken, om zo door het drinken van de beker de losprijs van de schuld af te lossen die de dood van de profeten en martelaren niet konden betalen... Hij had zijn dood door de profeten laten beschrijven en door de rechtvaardigen het mysterie van zijn dood laten voorafbeelden. Toen de tijd kwam om deze dood te volvoeren, weigerde Hij niet om te drinken. Als Hij het niet had willen drinken, maar het zou afslaan, dan zou Hij zijn lichaam niet in de Tempel vergeleken hebben met deze woorden: "Breek deze Tempel af en in drie dagen laat Ik hem weer herrijzen" (Joh 2,19); Hij zou niet tegen de zonen van Zebedeüs gezegd hebben: "Kunt u de beker drinken die Ik zal drinken?" en ook "Ik moet een doop ondergaan" (Lc 12,50)... "Als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan.” Hij zei dat, omdat Hij bekleed was met de zwakheid en niet door te doen alsof, maar werkelijk. Omdat Hij zich klein had gemaakt en werkelijk bekleed was met onze kwetsbaarheid, moest Hij vrezen en wankelde Hij in de kwetsbaarheid. Door het lichaam aan te nemen werd Hij met kwetsbaarheid bekleed, at Hij als Hij honger had, was Hij moe door het werk, werd Hij overmand door de slaap, was het nodig dat alles vervuld zou worden wat het lichaam zou laten verrijzen als de tijd van zijn dood is gekomen... Om door zijn Lijden troost aan zijn leerlingen te brengen, voelde Jezus wat zij voelden. Hij had hun angst in zich opgenomen om hun zijn zielsgelijkenis te tonen, en dat je je niet laat voorstaan op de dood voordat je deze ondergaan hebt. Als immers Degene die nergens bang voor is, angst heeft gehad en had gevraagd om bevrijd te worden, terwijl Hij wist dat het onmogelijk was, hoeveel te meer moeten de anderen dan wel niet volharden in hun gebed voor de verleiding om bevrijd te worden als de dood zich toont... Om hen die de dood vrezen moed te geven, heeft Hij zijn eigen angst niet verborgen, opdat ze weten dat deze angst hen niet doet zondigen. "Nee, Vader, zei Jezus, niet mijn wil, maar uw wil geschiedde": zodat Ik sterf om het leven aan de mensen te geven.
Broeders en zusters, reeds de profeten hebben gezocht en gevorst naar de redding van uw ziel, toen zij profeteerden over de genade die voor u bestemd was. Zij vroegen zich af op welk tijdstip en welke omstandigheden de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij voorspelde al het lijden dat over Christus zou komen, en de daarop volgende verheerlijking. Maar hun werd geopenbaard, dat zij deze boodschap moesten beheren voor u, niet voor zichzelf. En nu is die boodschap bij monde van de evangeliepredikers openlijk aan u verkondigd, in de kracht van de heilige Geest, die van de hemel is neergezonden. Dit zijn geheimen waarin zelfs engelen verlangen door te dringen. Weest daarom wakker en actief, weest nuchter, vestigt heel uw hoop op de genade die uw deel wordt, wanneer Jezus Christus zich zal openbaren. Geeft gehoor aan de waarheid, geeft niet langer toe aan de lusten die uw leven beheersten in de tijd van uw onwetendheid. Hij die u geroepen heeft, is heilig. Weest heilig zoals Hij, in heel uw gedrag; want er staat geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig.