In die dagen richt de Heer van de hemelse machten op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen. Op deze berg vernietigt Hij het waas dat alle volken het zicht beneemt, de sluier waarmee alle volken omhuld zijn. Voor altijd doet Hij de dood teniet. God, de Heer, wist de tranen van elk gezicht, de smaad van zijn volk neemt Hij van de aarde weg – de Heer heeft gesproken. Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God! Hij was onze hoop: Hij zou ons redden. Hij is de Heer, Hij was onze hoop. Juich en wees blij: Hij heeft ons gered!’ De hand van de Heer rust op de berg Sion.
De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort; Hij laat mij weiden op groene velden. Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten, Hij geeft mij weer frisse moed. Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden, omwille van zijn Naam. Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt. Uw stok en uw herdersstaf, geven mij moed en vertrouwen. Gij nodigt mij aan tafel tot ergernis van mijn bestrijders. Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol. Voorspoed en zegen verlaten mij nooit elke dag van mijn leven. Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.
Broeders en zusters, ik weet wat armoede is, ik weet wat overvloed is. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik ben vertrouwd met overvloed en met gebrek. Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft. Toch hebt gij er goed aan gedaan mij te helpen in mijn moeilijkheden: En mijn God zal met goddelijke rijkdom in al uw noden voorzien door u de heerlijkheid in Christus Jezus. Aan onze God en Vader zij de eer in de eeuwen der eeuwen! Amen.
In die tijd nam Jezus het woord en sprak tot de hogepriester en de oudsten van het volk in gelijkenissen. Hij zei: 'Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen die hij tot de bruiloft had uitgenodigd, maar zij wilden niet komen. Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Zie ik heb mijn maaltijd klaar, mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht; alles staat gereed. Komt dus naar de bruiloft. Maar zonder er zich om te bekommeren, gingen zij weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden hen. Nu ontstak de koning in toorn, stuurde zijn troepen en liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. Toen sprak hij tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal staat klaar, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat dus naar de drukke verkeerswegen en nodigt wie ge er maar vindt tot de bruiloft. Zijn dienaars gingen naar de wegen en brachten allen mee die zij er aantroffen, slechten zowel als goeden, en de bruiloftszaal liep vol met gasten. Toen de koning binnenkwam om de aanliggenden te bezoeken, merkte hij daar iemand op die niet voor een bruiloft gekleed was. En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Maar de man bleef het antwoord schuldig. Toen sprak de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars. Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren.'
“Roep hen die uitgenodigd zijn voor de bruiloft, alles is klaar.” Maar de genodigden laten zich verontschuldigen: “de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel”… Deze verbazingwekkende gang van zaken en deze voortdurende onrust die de wereld in beweging zetten, ziet men helaas veel te veel in de hele wereld. Wat men heeft aan kleding, voedsel, gebouwen en veel andere dingen is zo wonderbaarlijk dat je hoofd ervan gaat tollen: de helft zou meer dan genoeg zijn. Dit leven zou slechts een doorgang naar de eeuwigheid moeten zijn… We zouden ons met al onze krachten los moeten rukken van die overdaad aan activiteiten en veelheid, aan alles wat niet absoluut nodig is, en ons in onszelf verzamelen, ons met onze roeping verbinden, beschouwen waar en hoe en op welke manier de Heer ons geroepen heeft, de een tot innerlijke contemplatie, de andere tot de actie, en een derde… naar innerlijke rust, in de stille kalmte van de goddelijke duisternis, in eenheid met de heilige Geest. Maar zelfs de laatsten roept God soms tot uiterlijke actie, soms innerlijk, naar zijn goeddunken, maar de mens let niet op Gods roep… Als de mens die innerlijk geroepen is tot de edele en kalme stilte, daarom voortdurend af wil zien van de werken van liefde, dan zou dat niet goed zijn; en helaas zijn zij tegenwoordig zeldzaam die de buitengewone werken van liefde willen doen… Het Evangelie vertelt over de meester die een van zijn gasten aan het bruiloftsmaal vindt zonder feestkleding… Dat kleed ontbrak nog aan deze gast, dat is de zuivere, ware en goddelijke liefde: de werkelijke bedoeling om God te zoeken, welke elke eigenliefde uitsluit, evenals alles wat vreemd is aan God, die slechts God wil… Tegen degenen die zichzelf zoeken zegt onze Heer: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleding?” Ze zochten meer naar de gaven van God dan naar God zelf.