In die dagen zeiden Paulus en Barnabas tot de Joden: De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we ons tot de heidenen wenden. Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: 'Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de uiteinden van de aarde.' Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren aanvaardden het geloof. Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek.
Looft nu de Heer, alle naties der aarde, huldigt de Heer, alle volken rondom; omdat Hij bij ons zijn goedheid getoond heeft; de trouw van de Heer houdt in eeuwigheid stand.
In die tijd wees Jezus tweeënzeventig leerlingen aan en zond hen twee voor twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen, waarheen Hijzelf van plan was te gaan. Hij sprak tot hen: 'De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten. Gaat dan, maar zie, Ik zend u als lammeren tussen wolven. Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel; en groet niemand onderweg. Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis! Woont daar een vredelievend mens, dan zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan zal hij op u terugkeren. Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden; want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. In elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt, eet wat u wordt voorgezet, geneest de zieken die er zijn en zegt tot hen: Het Rijk Gods is u nabij.
De twee heiligen, Cyrillus en Methodius, werkten in een erg complexe en precaire situatie. Het is bijzonder en bewonderenswaardig om te zien hoe ze niet probeerden om aan het Slavische volk, tot wie ze moesten prediken, de onbetwistbare superioriteit van de Griekse taal en van de byzantijnse cultuur op te leggen, noch de gebruiken en de gedragingen van een meer ontwikkelde maatschappij, waarin ze zelf waren gevormd en waaraan ze duidelijk gehecht en gewend bleven. Ze werden gedreven door het grote verlangen om de nieuwe gelovigen in Christus te verenigen. Ze hebben daarom de rijke en verfijnde teksten van de byzantijnse liturgie aangepast aan de Slavische taal en harmoniseerden de subtiele en complexe uitwerkingen van het Grieks-Romeinse recht met de mentaliteit en gewoontes van de nieuwe volkeren. De onderdanen van het Oosterse Keizerrijk en gelovigen die afhankelijk waren van het Patriarchaat van Constantinopel, dachten dat het hun plicht was om verslag uit te brengen van hun missiewerken aan het Romeinse Pontificaat. Ze hebben het aan hun oordeel laten onderwerpen, om zo de goedkeuring te verkrijgen voor de leer die zij uitoefenden en onderrichtten, evenals voor de liturgische boeken die samengesteld waren uit Slavische talen en de aangepaste methoden voor de evangelisatie van deze volkeren. Ze hadden deze missie ondernomen in opdracht van Constantinopel, en als gevolg daarvan zochten ze een manier om het officieel bevestigd te krijgen door de Heilige Stoel in Rome, welke het zichtbare centrum van de eenheid van de kerken was... Men kan zeggen dat het aanroepen van Jezus in het Hogepriesterlijk gebed, "ut unum sint – dat allen een zijn" (Joh 17,21), hun missionaire motto was, in de geest van de woorden van de psalmist: "Looft de Heer, alle gij volken, prijst Hem , alle gij natiën!" (Ps 117,1). Voor ons mensen van deze tijd drukt hun apostolaat een oecumenische oproep uit: het nodigt uit om, in vrede en verzoening, de eenheid op te bouwen, die ernstig geschonden werd na de tijd van de heilige Cyrillus en Methodius en die op de eerste plaats de eenheid tussen het Oosten en het Westen is.
Toen nu Jeroboam in die tijd eens van Jerusalem kwam, ontmoette hij den profeet Achi-ja uit Sjilo. Deze droeg een nieuwe mantel. En toen ze samen alleen op het veld waren, greep Achija de nieuwe mantel, die hij om had, en scheurde hem in twaalf stukken. En hij sprak tot Jeroboam: Neem tien stukken voor u! Want zo spreekt Jahweh, Israëls God: Zie, Ik scheur het koninkrijk uit de hand van Salomon, en geef tien stammen aan u; slechts één stam mag hij behouden, terwille van mijn dienaar David en terwille van Jerusalem, de stad, die Ik Mij uit alle stammen van Israël heb uitverkoren. Zo scheurde Israël zich van het huis van David los; dit bleef zo tot op de huidige dag.