In die tijd ‑ godsspraak van de Heer‑ zal Ik de God zijn van alle stammen van Israël en zij zullen mijn volk zijn. Dit zegt de Heer: Het volk dat ontkwam aan het zwaard vond genade in de woestijn. Aan Israël, op zoek naar rust, is de Heer reeds van verre verschenen. Mijn liefde voor u duurt eeuwig, Ik blijf u altijd trouw. Israël, Ik richt u weer op. Weer slaan uw jonge vrouwen de tamboerijn en gaan vrolijk ten dans. Weer legt ge wijngaarden aan op de bergen van Samaria; die ze planten, zullen er de vruchten van eten. De dag breekt aan dat de wachters in het gebergte van Efraïm roepen: 'Kom, wij trekken naar Sion, naar de Heer onze God.' Want dit zegt de Heer: Jubel van vreugde om Jakob, juich om de heerser der volken. Verkondig overal Gods lof met deze woorden: 'De Heer heeft redding gebracht aan zijn volk, aan wat van Israël nog rest.'
Volken, hoor het woord van de Heer geeft er bericht van op verre kusten. Hij die Israël eens verstrooid, zal het verzamelen zal het behoeden zoals een herder zijn kudde. Jakob zal worden bevrijd door de Heer los uit de greep van hen die hen roofde Juichend betreden zij de Sion weer zetten zich neer waar de Heer hen zegent. Meisjes dansen samen een vreugdedans samen met de jongens en grijaards Dan breng Ik vreugde in plaats van rouw troost en blijdschap na al hun droefheid
In die tijd trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon. Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw afkomstig uit dat gebied naar voren, luid roepend: 'Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.' Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek: 'Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.' Hij antwoordde: 'Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.' Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: 'Heer, help mij!' Hij gaf haar ten antwoord: 'Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.' 'Wel waar, Heer', sprak zij,'want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.' Daarop zei Jezus haar: 'Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.' En van dat ogenblik was haar dochter genezen.
In het Evangelie, nodigt Jezus ons uit om te bidden: "Vraag en u zal gegeven worden; zoek en u zult vinden; klopt en er zal voor u open gedaan worden". Deze woorden van Jezus zijn erg kostbaar, want zij drukken de ware relatie tussen God en mens uit, en omdat ze antwoord geeft op een fundamenteel probleem uit heel de geschiedenis van de religies en ons persoonlijk leven. Is het rechtvaardig en goed om God ergens om te vragen? Oftewel bestaat het enige antwoord dat past bij de transcendentie en de grootheid van God uit het Hem verheerlijken, Hem aanbidden, en Hem danken, dus in een gebed dat belangeloos is?... Jezus ontkent die vrees. Jezus onderricht niet een religie voor een elitegroep van mensen die totaal belangeloos kan zijn. Het idee van God dat Jezus ons leert, is anders: zijn God is erg menselijk; deze God is goed en machtig. De religie van Jezus is erg menselijk, erg eenvoudig – het is de religie van de eenvoudigen: "Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld" (Mt 11,25). De kleinen, zij die de hulp van God nodig hebben en het zeggen, begrijpen de waarheid veel beter dan intelligente mensen die, door het vraaggebed te weigeren en slechts het belangeloze loven van God toestaan, en zo de mens zelfgenoegzaam maken, wat niet overeenkomt met zijn armoede, zoals Esther het uitdrukt: "Kom mij te hulp!"(14,4). Achter deze nobele houding waarmee men God niet lastig wil vallen met onze kleine zorgen, verbergt zich de volgende twijfel: Heeft God de macht om te antwoorden op de werkelijkheden van ons leven, kan God onze situaties veranderen en de werkelijkheid van onze aardse leven binnengaan?... Als God niet handelt, als Hij niet de macht heeft over de concrete gebeurtenissen van ons leven, hoe blijft God dan God? En als God liefde is, zal de liefde dan niet een mogelijkheid vinden om te beantwoorden aan de hoop van degene die liefheeft? Als God liefde is, en als Hij ons niet kon helpen in ons concrete leven, dan zou de liefde niet de ultieme macht zijn in de wereld.
Het woord van de Heer kwam tot Jeremia: Dit zegt de Heer, Israëls God: Stel alles wat Ik u gezegd heb op schrift. Dit zegt de Heer: Uw kwaal is ongeneeslijk, uw wonden zijn niet te helen. Niemand verzorgt uw zweren, uw wonden sluiten zich niet. Al uw minnaars zijn u vergeten, ze lopen u niet meer achterna, omdat Ik als een vijand op u heb ingeslagen en u meedogenloos heb gestraft om uw vele misdaden en uw talrijke zonden. Wat jammert ge dan om uw wonden en uw onverdraaglijke pijnen? Om uw vele misdaden en uw talrijke zonden heb Ik u dit alles aangedaan. Dit zegt de Heer: Ik herstel de tenten van Jakob, Ik ontferm Mij over zijn huizen. De stad wordt herbouwd op zijn puinhoop, de burcht komt weer op zijn vroegere plaats. Een loflied weerklinkt, men hoort hen weer lachen. Ik maak hen talrijk, nooit nemen ze in aantal af. Ik breng hen tot aanzien, nooit worden ze meer veracht. Hun zonen zijn voor Mij weer als vroeger, hun gemeen‑ schap blijft altijd bestaan. Hun onderdrukkers straf Ik. Hun vorst is een van hen, hun heerser komt voort uit hun midden. Ik laat hem bij Mij komen, hij mag tot Mij naderen. Wie anders zou met gevaar voor zijn leven tot Mij durven naderen ‑ godsspraak van de Heer ‑? Gij zult mijn volk en Ik zal uw God zijn.