Zo speekt de Heer: Gij Mensenkind, luister naar wat Ik u zeg, wees niet weerspannig zoals dit weerspannige volk, maar doe uw mond open en eet wat Ik u geef.' Ik keek op en zag een hand die zich naar mij uitstrekte en in die hand zag Ik een boekrol. Hij rolde ze voor mij af; ze was beschreven van binnen en van buiten; er stonden klaagliederen op, treurzangen en weeklachten. Hij zei tot mij: 'Mensenkind, eet wat u voorgehouden wordt, eet deze boekrol op en richt dan het woord tot het volk van Israël.' Toen opende ik mijn mond en Hij gaf me die boekrol te eten. Hij zei tot mij: 'Mensenkind, laat uw lichaam deze boekrol die Ik u geef opnemen en verzadig u ermee. Ik at dus de boekrol op: ze smaakte me zo zoet als honing. Hij zei tot mij: 'Mensenkind, begeef u naar het volk van Israël en breng hun mijn woorden over.
Mijn vreugde vind ik in wat Gij verordent, dat is mijn rijkste bezit. Ik neem uw verordeningen ter harte, zij geven mij goede raad. De wet uit uw mond is mij meer waard dan schatten van zilver en goud. Hoe heerlijk smaken mij uw beloften Als honing zijn zij in mijn mond; Mijn erfdeel is altijd wat Gij verordent, dat is de vreugd van mijn hart; Mijn mond sper ik hijgend open Zo hunker ik naar uw geboden.
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus met de vraag: 'Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?' Hij riep een klein kind, zette het in hun midden en zei: 'Voorwaar, Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan. Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind is de grootste in het Rijk der hemelen. En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt, neemt Mij op. Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten, want Ik zeg u: zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is. Wat dunkt u? Wanneer een man honderd schapen heeft en een daarvan verdwaalt, zal hij dan niet de negenennegentig in de bergen alleen laten om op zoek te gaan naar het verdwaalde? En gelukt het hem dat te vinden, voorwaar Ik zeg u, dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren. Zo ook wil uw hemelse Vader niet dan een van deze kleinen verloren gaat.
De goede God heeft ons niet nodig. Als Hij ons opdraagt te bidden, dan is dat omdat Hij ons geluk wil, en omdat ons ware geluk alleen bij Hem te vinden is. Wanneer Hij ons ziet naderen, buigt Hij zijn Hart liefdevol naar zijn kleine schepsel toe, zoals een vader zich vooroverbuigt om te luisteren naar zijn kind. ’s Morgens zouden wij moeten zijn als een kind in zijn wieg: zodra het de ogen opent, kijkt het meteen of het zijn moeder ziet... Er zijn twee grote middelen om ons met de Heer te verenigen en het heil te bereiken: het gebed en de sacramenten. Allen die heilig zijn geworden, hebben trouw geleefd uit de sacramenten en hebben hun ziel door het gebed tot God verheven.
Broeders en zusters, bedenkt: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. Laat ieder wat hij in zijn hart besloten heeft, ten uitvoer brengen, zonder pijn en zonder dwang, want God houdt van een blijmoedige gever. En God heeft de macht u met alle gaven te overstelpen, zodat gij altijd in alle opzichten van al het nodige voorzien, nog ruimschoots overhoudt voor elk goed werk. Zo staat er ook geschreven: Hij heeft overvloedig gegeven aan de armen, zijn milddadigheid zal immer blijven. Hij die de zaaier zaad verschaft en voedsel om te eten, zal ook u zaaigoed verschaffen en het vermenigvuldigen en de oogst van uw milddadigheid doen gedijen.