Broeders en zusters, ik heb gehoord van uw geloof in de Heer Jezus en uw liefde voor alle heiligen. Steeds gedenk ik u in mijn gebeden. Ik smeek de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u de Geest te geven van wijsheid en openbaring om Hem waarachtig te kennen. Moge Hij uw innerlijk oog verlichten om te zien, hoe groot de hoop is waartoe Hij u roept, hoe rijk de heerlijkheid van zijn erfdeel temidden der heiligen en hoe overgroot zijn macht in ons die geloven. Dezelfde sterkte en kracht heeft Hij betoond in Christus, toen Hij Hem opwekte uit de doden en zette aan zijn rechterhand in de hemelen, hoog boven alle heerschappijen, machten, krachten en hoogheden, en boven elke naam die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige tijd. Alles heeft God onder zijn voeten gelegd, en Hemzelf, verheven boven alles, heeft Hij als Hoofd gegeven aan de kerk, die zijn lichaam is, de volheid van Hem die het al in alles vervult.
Heer, onze Heer, hoe ontzagwekkend is uw Naam op heel de aarde. hoger dan de hemel reikt uw majesteit. Kinderen en zuigelingen laat Ge voor u spreken. Als ik naar de hemel kijk, het kunstwerk van uw vingers, als ik maan en de sterren, die Gij daar hebt gezet. Wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet? Niet veel minder dan een engel hebt Gij hem geschapen, hem omkleed met schoonheid en met pracht; heel uw schepping aan hem onderworpen, alles aan zijn voeten neergelegd.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Ik zeg u: ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal de Mensenzoon als de zijne erkennen bij Gods engelen. Maar wie Mij tegenover de mensen verloochend heeft, zal verloochend worden tegenover Gods engelen. Aan ieder die zich zal kanten tegen de Mensenzoon zal het vergeven worden, maar hem die de heilige Geest heeft gelasterd, zal het niet vergeven worden. Wanneer men u brengt voor de synagogen, overheden en machthebbers, maakt u dan niet bezorgd over het hoe of wat van uw antwoord ter verdediging; op dat ogenblik zal de heilige Geest u leren wat gij moet zeggen.'
Wapen u met die volharding die in de heiligen zoveel wonderen tot stand brengt. (…) Laten wij nadenken, en wij zullen inzien dat ons lijden in dit leven in geen verhouding staat tot de grootheid van het lijden van Christus, tot de ernst van onze zonden, tot de verschrikkingen van de folteringen van de hel en tot de hemelse beloning. Daarom verheugden onze vaderen zich over de dagen van vernedering en de jaren van beproevingen die de Heer voor hen had bestemd. (…) Het geduld is een diamant: daardoor blijft de ziel standvastig onder iedere tegenspoed; een geneesmiddel: het heelt iedere wond; een schild: het beschermt tegen iedere aanval. Niemand zal ons ooit kunnen treffen als wij eenmaal innerlijk de strijd tegen onszelf zijn aangegaan. (…) Bij de bouw van een gebouw wordt de steen die bestemd is voor een ereplaats gehouwen, bewerkt en gebeeldhouwd. Zo vergaat het ook met ons: wij worden in deze wereld onder druk gezet en gevormd om het hemelse tempelgebouw binnen te gaan, waar geen hamerslagen meer weerklinken. De vreugde mag pas komen na de droefheid die noodzakelijk is voor de verzoening van onze vroegere zonden, voor onze geestelijke volmaaktheid en voor de vermeerdering van onze eeuwige heerlijkheid. O vruchtbare arbeid, o kostbare pijn, o zalige tranen die de Almachtige zelf zal afwissen uit de ogen van zijn beproefde uitverkorenen! Jezus heeft gezegd dat het Koninkrijk der hemelen in het bijzonder toebehoort aan hen die omwille van de gerechtigheid vervolging lijden (Mt. 5,10).
Broeders en zusters, in Christus hebben wij ook ons erfdeel ontvangen, daartoe voorbestemd door de beschikking van Hem die alles tot stand brengt naar het besluit van zijn wil, opdat wij verbreiden de lof van zijn heerlijkheid wij die reeds te voren onze hoop op de Christus hadden gebouwd. In Christus zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie van uw heil, hebt aanhoord, in Hem zijt ook gij tot het geloof gekomen, verzegeld met de heilige Geest der belofte, die het onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van Gods eigen volk, en tot lof van zijn heerlijkheid.