Broeders en zusters, laat niemand zichzelf iets wijs maken. Als iemand onder u wijs meent te zijn, wijs volgens de opvattingen van deze wereld, dan moet hij dwaas worden om de ware wijsheid te leren. De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God. Er staat immers geschreven: Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid, en elders: De Heer kent de gedachten van de wijzen, Hij weet hoe waardeloos ze zijn. Laat daarom niemand zijn heil zoeken bij mensen. Want alles is het uwe, of het nu Paulus is of Apollos of Kefas, wereld, leven of dood, heden of toekomst, alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God.
Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen, Hij heeft haar op de zeeën gegrondvest, op de stromen heeft Hij haar verankerd. Wie mag de berg van de Heer bestijgen, wie mag staan op zijn heilige plaats? Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens. Zegen zal hij ontvangen van de Heer en recht verkrijgen van God, zijn Redder. Dat valt hun ten deel die U zoeken, die zich tot U wenden – het volk van Jakob
Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. Toen Hij zijn toespraak had geeindigd, zei Hij tot Simon: 'Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.' Simon antwoordde: 'Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen, maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.' Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten, dat deze dreigen te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren, vulden zij de beide boten tot zinkens toe. Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: 'Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.' Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en allen die bij hem waren vanwege de vangst die ze gedaan hadden; en zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: 'Weest niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.' Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.
Wat is de goedheid van Christus groot! Petrus was visser, en nu verdient een spreker grote lof, als hij in staat is om zich als visser begrijpelijk uit te drukken. Daarom zegt de apostel Paulus tot de eerste christenen: “Denk aan uw eigen roeping, broeders en zusters. Naar menselijke maatstaf waren daar niet veel geleerden bij, niet veel machtigen, niet velen van hoge afkomst. Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitgekozen; wat niets betekent, koos Hij uit, om teniet te doen wat wel iets betekent” (1Kor 1,26-28). Want als Christus in de eerste plaats een spreker had gekozen, dan zou de spreker kunnen zeggen: “Ik ben gekozen om mijn welsprekendheid”. Als hij een senator was geweest, dan zou de senator kunnen zeggen: “Ik ben gekozen om mijn rang”. Als Hij een keizer had gekozen, dan zou de keizer kunnen zeggen: “Ik ben gekozen om mijn macht”. Dat die mensen zwijgen, dat ze even wachten, dat ze zich rustig houden. Ze zullen niet vergeten of verworpen worden, omdat ze zich kunnen verheerlijken om wat ze uit zichzelf zijn. “Geef Mij deze visser, zegt Christus, geef Mij deze eenvoudige onopgeleide mens, geef Mij degene met wie de senator niet durft te spreken, zelfs niet wanneer hij vis van hem koopt. Ja, geef Mij die mens. Dan zal Ik hem vervullen, men zal duidelijk zien dat Ik alleen het ben die handel. Ik zal zeker ook mijn werk vervullen in de senator, de spreker en de keizer..., maar mijn handelen zal het meest duidelijk worden in de visser. De senator, de spreker en de keizer kunnen zich verheerlijken met wat zij zijn: de visser, alleen in Christus. Dat de visser hun de nederigheid komt onderrichten die door de redding wordt gegeven. Dat de visser als eerste doorgaat”.
Broeders en zusters, het was mij destijds niet mogelijk, tot u te spreken als waart gij reeds geestelijk en niet langer vleselijk. In Christus waart gij nog zo jong! Melk moest ik u geven, geen vaste spijs; die kondt gij nog niet verdragen. Zelfs nu kunt gij het niet, want gij laat u nog altijd leiden door zelfzucht. Of is het geen uiting van egoisme en kleinmenselijk gedrag, dat er onder u naijver en twist voorkomt? Als de een zegt: 'Ik ben voor Paulus,' en de ander: 'Ik voor Apollos,' zijt gij dan niet al te menselijk? Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan ondergeschikten, die behulpzaam waren bij uw bekering, en wel ieder van ons op zijn eigen manier, zoals de Heer het ons vergund heeft: ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft. Die plant en die begiet staan op een lijn, al ontvangt wel ieder loon naar eigen arbeid. Wij zijn Gods medewerkers, gij zijt Gods akker, Gods bouwwerk.