Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, volgens de belofte van het leven dat in Christus Jezus is, aan Timoteus, zijn geliefd kind. Genade, barmhartigheid en vrede voor u vanwege God de Vader en onze Heer Christus Jezus! Het is met dankbaarheid jegens God, die ik, evenals mijn voorouders, met een zuiver geweten tracht te dienen, dat ik uw naam noem in mijn gebeden, zonder ophouden, dag en nacht. Vergeet dus niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u is door de oplegging van mijn handen. Want God heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen. Schaam u evenmin voor mij, zijn gevangene. Draag uw deel in het lijden voor het evangelie, door de kracht van God, die ons gered heeft en geroepen met een heilige roeping, niet op grond van onze verdiensten, maar volgens het vrije besluit van zijn genade. Van alle eeuwigheid ons verleend in Christus Jezus, is zijn genade nu openbaar geworden door de verschijning van onze Heiland, Christus Jezus, die de dood heeft vernietigd en onvergankelijk leven deed aanlichten door het evangelie. Van dit evangelie ben ik aangesteld als heraut en apostel en leraar. Daarom moet ik ook deze nieuwe beproeving ondergaan, maar ik schaam er mij niet voor, want ik weet in Wie ik mijn vertrouwen heb beschonken, en ik ben ervan overtuigd, dat Hij bij machte is ongerept te bewaren wat mij is toevertrouwd, tot aan de grote dag.
Naar U sla ik mijn ogen op, toe U die woont in de hemel. Zoals de oog van een slaaf gericht op de hand van zijn meester; Zoals het oog van de dienstmaagd gericht op haar meesteres, zo richt zich ons oog op de Heer onze God tot zich om ons bekommert.
In die dagen kwamen er Sadduceeën bij Jezus; dezen houden dat er geen verrijzenis bestaat. Ze legden Hem daarom de volgende kwestie voor: 'Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat maar geen kinderen, dan moet zijn broer die vrouw nemen om aan zijn broer een nageslacht te geven. Nu waren er eens zeven broers. De eerste nam een vrouw, maar liet bij zijn dood geen kinderen na. Toen nam de tweede haar, maar ook hij stierf zonder kinderen; zo ging het ook met de derde; kortom geen van de zeven liet kinderen na. Het laatst van allen stierf ook de vrouw. Bij de verrijzenis, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad.' Jezus antwoordde: 'Zijt gij niet op een dwaalspoor, juist omdat gij noch de Schrift, noch Gods macht kent? Wanneer de mensen uit de doden opstaan, huwen zij niet en worden niet ten huwelijk gegeven, maar zijn ze als engelen in de hemel. En wat de verrijzenis der doden betreft, hebt ge in het boek van Mozes niet gelezen, waar het gaat over de braamstruik, hoe God tot hem zei: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob? Hij is geen God van doden maar van levenden. Ge verkeert in grote dwaling.'
Waarom moest het juist het Woord van God zijn dat mens werd, en niet iemand anders? De Schrift geeft ons de reden met deze woorden: “Het paste dat Hij, om Wie en door Wie alles bestaat, die vele kinderen tot heerlijkheid wilde brengen, de Leidsman van hun heil door lijden tot voltooiing bracht” (Hebr. 2,10). Hiermee wordt ons duidelijk gemaakt dat het herstellen van de mensen uit de ondergang waarin zij waren gevallen, aan niemand anders toekwam dan aan het Woord van God, dat hen in het begin had geschapen. Door het offer van zijn lichaam heeft Hij een einde gemaakt aan de wet die op ons drukte, en Hij heeft voor ons het beginsel van het leven vernieuwd door ons de hoop op de verrijzenis te geven. Want zoals door een mens de dood over de mensen is gekomen, zo is door de menswording van het Woord van God de dood vernietigd en is het leven herrezen, zoals de Apostel, vervuld van Christus, zegt: “Door een mens is de dood gekomen; door een mens komt ook de opstanding van de doden. Zoals allen sterven in Adam, zo zullen allen in Christus levend gemaakt worden” (1 Kor. 15,21-22). Wij sterven dus niet meer als veroordeelden, maar in de hoop om uit de dood te ontwaken; wij verwachten de algemene verrijzenis die God ons op zijn tijd zal tonen, Hij die daarvan de oorsprong is en die ons deze genade schenkt.
de komst verwachtend en verhaastend van de dag Gods, waardoor de hemelen in vlammen zullen opgaan en de elementen wegsmelten in de vuurgloed. Maar volgens zijn belofte verwachten wij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen. In deze verwachting, geliefden, moet gij u beijveren onbevlekt en onberispelijk voor Hem te verschijnen, in vrede met God. En beschouwt het uitstel dat de Heer u in zijn lankmoedigheid gunt, als een genade ten heil. In deze geest heeft ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven met de hem verleende wijsheid, Vrienden, gij zijt dus gewaarschuwd. Past op dat gij u niet laat meeslepen op de dwaalwegen van die goddelozen; geeft uw standpunt niet prijs. Neemt toe in de genade en de kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Hem zij de eer, nu en in eeuwigheid!