In die dagen ondernam Salmanassar, de koning van Assur, een veldtocht tegen het land; hij rukte op naar Samaria en belegerde de stad, drie jaar lang. In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in. De Israëlieten voerde hij in ballingschap naar Assur, en wees hun Chalach, met een gebied aan de Chabor, een kanaal in Gozar, en enige steden van Medië, tot woonplaats aan. Dit alles gebeurde, omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de Heer, hun God, die hen uit de macht van Farao, de koning van Egypte, verlost en uit Egypte geleid had. Zij waren andere goden gaan dienen, en hadden volgens de gebruiken der volkeren geleefd, die de Heer voor de Israëlieten had uitgedreven. Toch had de Heer zowel Israël als Juda door al zijn profeten en zieners gewaarschuwd, en hun gezegd: Bekeert u van uw wangedrag, en onderhoudt de geboden en voorschriften van de wet, die Ik aan uw vaderen gegeven heb, en door mijn dienaars de profeten heb ingescherpt. Maar ze wilden niet luisteren en waren hardnekkig evenals hun vaderen, die ook niet op de Heer, hun God, hadden vertrouwd. Zij stoorden zich niet aan zijn geboden, evenmin als aan het verbond, dat Hij met hun vaderen gesloten had. Daarom werd de Heer hevig op Israël vertoornd geworden op Israel; Hij duldde het niet langer onder zijn ogen en vaagde het weg. Er bleef niet over, alleen de stam Juda.
Gij hebt. ons neergeslagen, God, ons front doorbroken. Gij zijt vertoornd: keer tot ons weer. De aarde beeft, haar rotsen splijten; herstel haar scheuren vóór zij breekt. Gij hebt uw volk een harde les gegeven, een beker wijn, die ons doet duizelen. Wie anders, God, dan Gij die ons verstoten hebt, die onze legers niet meer vergezelt? Wees onze bondgenoot tegen de vijand, want mensenhulp betekent niets.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken. Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw eigen oog? Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: laat mij de splinter uit uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de balk nog! Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw broeder.
Laten wij, broeders [en zusters], onderzoeken hoe het komt dat wij soms een onaangenaam woord horen en het laten voorbijgaan alsof wij niets gehoord hebben, zonder verstoord te raken, terwijl wij er op andere momenten meteen door uit ons evenwicht worden gebracht. Wat is de reden van zo’n verschil? Is er één oorzaak of zijn er meerdere? Wat mij betreft, ik zie er veel, maar één brengt als het ware alle andere voort. (…) De oorzaak van onze onrust, als wij die zorgvuldig nagaan, is altijd dat wij onszelf niet beschuldigen. Daaruit komt al die zwaarte voort en het feit dat wij nooit rust vinden. Het is niet verwonderlijk dat alle heiligen zeggen dat er geen andere weg bestaat dan deze. Wij zien duidelijk dat niemand rust heeft gevonden door een andere weg te volgen, en toch denken wij die wel te vinden en een volkomen rechte weg te gaan, zonder ooit ermee in te stemmen onszelf te beschuldigen! In waarheid, al had men duizend goede werken verricht, als men deze weg niet bewaart, zal men nooit ophouden zichzelf en anderen te doen lijden, en zo al zijn moeite verliezen. (…) Het gebeurt ook dat een broeder, die meent in vrede en rust te verkeren, toch verstoord raakt door een onaangename opmerking van een ander, en dat hij oordeelt dat dit terecht is, terwijl hij bij zichzelf zegt: “Als deze broeder mij niet was komen aanspreken en mij niet had verstoord, dan had ik niet gezondigd.” Dat is een illusie, een verkeerde redenering. Heeft degene die hem dat woord zei dan de hartstocht in hem gelegd? Hij heeft enkel de hartstocht zichtbaar gemaakt die al in hem aanwezig was, opdat hij zich zou bekeren, als hij dat wil.
Ik hoor velen fluisteren: 'Daar heb je 'Ontzetting‑overal'. Breng hem aan.' Ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: 'Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.' God de Heer is bij mij als een machtig strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze niets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten! God van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij u op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered.