In die dagen, nadat men uitvoerig had beraadslaagd over de besnijdenis, nam Petrus het woord en sprak tot apostelen en de oudsten: 'Mannen broeders, gij weet dat God reeds lang geleden mij onder u heeft uitgekozen, opdat de heidenen door mijn mond het evangeliewoord zouden horen en het geloof aannemen. Welnu, God die de harten kent, heeft zich voor hen uitgesproken door hun de heilige Geest mee te delen, juist als aan ons en Hij heeft in geen enkel opzicht onderscheid gemaakt tussen ons en hen, maar hun harten door het geloof gereinigd. Waarom wilt gij God dan nu tarten door de leerlingen een juk op de hals te leggen, dat noch onze vaderen noch wij in staat geweest zijn te dragen? Integendeel, juist zoals zij, geloven ook wij door de genade van de Heer Jezus gered te worden.' De hele vergadering zweeg en men luisterde naar Barnabas en Paulus, die van grote wondertekenen verhaalden die God door hen onder de heidenen gedaan had. Toen zij waren uitgesproken, nam Jakobus het woord en sprak:; Mannen broeders, luistert naar mij. Simeon heeft ons uiteengezet, hoe God eertijds genadig heeft neergezien en uit de heidenen zich een volk heeft gekozen. Hiermee stemmen de woorden der profeten overeen, zoals geschreven staat: Daarna zal Ik terugkeren en het vervallen huis van David weer opbouwen. Ja, zijn ruinen zal Ik weer opbouwen en volledig herstellen, opdat de rest van de mensen de Heer zullen zoeken samen met alle heidenen, over wie mijn Naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer die deze dingen doet, van eeuwigheid zijn ze bekend. Daarom ben ik voor mij van oordeel, dat men hun die zich uit het heidendom tot God bekeren, geen onnodige lasten moet opleggen, maar hun wel voorschrijven zich te onthouden van wat door de afgoden besmet is, van ontucht, van wat verstikt is en van bloed. Want van oudsher heeft Mozes in elke stad mensen die hem op sabbat in de synagoge voorlezen en prediken.'
Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zingt voor de Heer alle landen. Zingt voor de Heer, prijst zijn Naam. Verkondigt van dag tot dag dat Hij ons redt. Meldt aan de naties zijn heerlijkheid, zijn wonderdaden aan alle volken. Zegt tot elkander: de Heer regeert. Onwrikbaar heeft Hij de aarde geschapen, de volken bestuurt Hij met billijkheid.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad. Blijft in mijn liefde. Als gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik, die de geboden van mijn Vader heb onderhouden, in zijn liefde blijf. Dit zeg Ik u, opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden.
Ik bid U, mijn God, maak dat ik U ken, maak dat ik van U houd opdat mijn vreugde in U is. En als het niet ten volle mogelijk in dit leven is, maak tenminste dat ik alle dagen vooruitgang boek, tot aan het bereiken van de volheid. Dat in dit leven Uw kennis in mij groeit, en dat zij op de laatste dag volmaakt wordt; dat Uw liefde in mij groeit en volmaakt wordt in het komende leven, opdat mijn vreugde, hier beneden al groot in de hoop, dan in werkelijkheid wordt vervolmaakt. Heer God, door Uw Zoon heeft U ons het bevel, of liever, het advies, gegeven om te vragen; en U heeft beloofd dat wij het zouden verkrijgen, opdat onze vreugde volkomen zou worden (Joh 16,24). Ik bid U, Heer, zoals U het ons aanraadt door onze “wonderbare Raadsman" (Jes 9,5). Moge ik ontvangen wat U door Hem, die Uw Waarheid is, heeft beloofd, opdat mijn vreugde volkomen wordt. Ware God, ik bid U; verhoor mij opdat mijn vreugde volkomen wordt. Dat dit voortaan de meditatie van mijn geest en het woord van mijn lippen is. Dat dit de liefde van mijn hart en de verkondiging van mijn mond is, dat dit de honger van mijn ziel, de dorst van mijn lichaam en het verlangen van heel mijn wezen is, totdat ik de vreugde van de Heer zal binnengaan (Mt 25,21), enige drie-ene God, die geprezen is in eeuwigheid. Amen.
In die dagen waren enige mensen die van Judea waren gekomen en aan de broeders de leer verkondigden: 'Indien ge u niet naar Mozaïsch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.' Toen hierover strijd ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. Nadat hun door de gemeente uitgeleide was gedaan, reisden zij door Fenicië en Samaria, waar ze alle broeders grote vreugde bereiden door te vertellen van de bekering der heidenen. Bij hun aankomst te Jeruzalem werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de oudsten en zij verhaalden alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht. Maar enige gelovigen, afkomstig uit de partij der Farizeeën, stonden op en verklaarden, dat men hen moest besnijden en hun opleggen de Wet van Mozes te onderhouden. De apostelen en de oudsten kwamen dus bijeen om deze zaak te bezien.