Dierbare vrienden, gij hebt altijd naar mij geluisterd; maakt dus nu, in mijn afwezigheid, met niet minder ernst werk van uw heil dan toen ik bij u was. God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt, om zijn heilsplan te verwezenlijken. Doet al wat ge te doen hebt, zonder, te morren of tegen te spreken. Zorgt dat ge onberispelijk en ongerept zijt, als onbesproken kinderen van God onder een slinks en ontaard geslacht, waarin gij schittert als sterren in het heelal. Houdt vast aan het woord des levens. Dan kan ik, als de dag van Christus komt, er trots op zijn dat mijn werk en mijn inspanning niet vergeefs zijn geweest. Maar ook al wordt mijn bloed geplengd bij de offerdienst van uw geloof, dan nog wens ik mijzelf en u allen geluk. En gij moet evengoed blij zijn en delen in mijn vreugde.
De Heer is mijn licht en mijn leidsman, wie zou ik vrezen? De Heer is de schuts van mijn leven, voor wie zou ik bang zijn? Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang als ik leef. Dat ik de beminnelijkheid van de Heer mag ervaren, zijn tempel weer met eigen ogen mag zien. Ik reken er op nog tijds mijn leven, de weldaden van de Heer te ervaren. Zie uit naar de Heer en houd dapper stand, wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.
Toen talloze mensen met Jezus meetrokken, keerde Hij zich om en zei tot hen: 'Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn. Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn. Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij er dan niet eerst voor gaan zitten om een begroting te maken, of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien? Anders zou het hem kunnen overkomen, als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk tot een einde te brengen, dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen: Die man begon te bouwen maar hij was niet in staat het einde te halen. Of welke koning zal, als hij tegen een andere koning ten oorlog wil trekken, niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt? Zo niet, dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden. Zo kan niemand van u mijn leerling zijn, als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.
Gelukkig de ziel, zeer dierbare broeders en zusters, die de Heer Jezus in alles kan volgen… "waarheen Hij ook gaat" (Apok. 14,4). Zij stijgt op in de rust van de beschouwing, vreedzaam bezig te aanschouwen "dat Hij God is" (Ps. 46,11), en zij daalt af door de beoefening van de liefde, terwijl zij Hem zelf volgt tot in de vernedering van de dienstbaarheid: de armoede liefhebben, honger, dorst, vermoeidheid, arbeid, tranen, gebed en medelijden verdragen, en ten slotte het Lijden. Want Christus is gekomen om te gehoorzamen tot de dood, om te dienen en niet om gediend te worden, om niet goud of zilver te geven, maar zijn onderricht en zijn hulp aan de menigte, en zijn leven voor de menigte (Mc. 10,45)… Laat dit dan, broeders, het voorbeeld van uw leven zijn, want daarin ligt de regel van een heilige levenswandel: met Christus, door gedachten en verlangen, leven in het eeuwige vaderland; voor Christus geen enkele dienst van de liefde weigeren in deze harde aardse ballingschap. In het voetspoor van Christus, die opstijgt naar de Vader, ons laten terugbrengen tot eenvoud, ons laten vereenvoudigen en één worden in de rust van de overweging; Christus volgen wanneer Hij afdaalt naar onze broeder, ons laten uitrekken, ons verdelen, ons opsplitsen, «alles voor allen worden» (1 Kor. 9,22). Niets verachten wat Christus aangaat, en ons met niets bezighouden wat niet voor Christus is; alleen naar Hem dorsten, alleen voor Hem leven, daar waar alleen Christus er is; en ons gewillig ten dienste stellen van allen daar waar Zijn aanwezigheid zich vermenigvuldigt (vgl. Mt. 25,35).
Broeders en zusters, die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde: Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.