Broeders en zusters, Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen. Luister naar wat ik, Paulus, tegen u zeg: als u zich laat besnijden, zal Christus u niets baten. Ik verzeker u dat iedereen die zich laat besnijden verplicht is om de wet volledig na te leven. Als u probeert door God als een rechtvaardige te worden aangenomen door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeeld. Want door de Geest hopen en verwachten wij dat we op grond van geloof als rechtvaardigen worden aangenomen. In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent.
Laat mij, Heer, uw trouw ervaren, red mij, zoals U hebt beloofd. Ontneem aan mijn mond niet het woord der waarheid op wat Gij bepaald hebt stel ik mijn hoop. Uw wet zal ik steeds onderhouden, te allen tijde, voor immer en eeuwig. Dan zal ik ongestoord kunnen leven, omdat ik naar uw bevelen vraag. Ik verheug mij in uw geboden, ik heb ze van harte lief. Naar uw geboden strek ik mijn handen en nooit vergeet ik wat Gij hebt beschikt.
In die tijd nodigde een Farizeeër Jezus uit de maaltijd bij hem te gebruiken. Hij trad dus binnen en ging aanliggen. Toen de Farizeeër dat zag, stond hij er verwonderd over, dat Jezus niet eerst voor de maaltijd de wassingen verricht had. Maar de Heer sprak tot hem: 'En gij dan, Farizeeer, gij maakt wel de buitenkant van beker en schotel schoon, maar van binnen zijt ge vol van roof en slechtheid. Dwazen! Heeft Hij die de buitenkant maakte ook niet de binnenkant gemaakt? Geeft liever wat erin is als aalmoes; dan is voor u alles rein.
Het is goed en heilig, broeders en zusters, om God te gehoorzamen in plaats van de trotse oproerkraaiers te volgen... Laten we ons verbinden met degenen die met mededogen de vrede in praktijk brengen, niet met hen die veinzen de vrede te willen. Ergens wordt immers gezegd: “Dit volk eert Mij wel met de lippen, maar hun hart is ver van Mij” (Jes 29,13; Mc 7,6). En ook: “Zij zegenen met hun mond, maar in hun hart vervloeken ze Mij” (Ps 62,5). En: “met hun mond bedrogen zij Hem en bleven Hem met hun tongen beliegen; hun hart bleef niet aan Hem verknocht, zij wilden zich aan zijn verbond niet houden” (Ps 78, 36-37)... Christus behoort immers aan hen die nederig van hart zijn, niet aan hen die zich boven de kudde uit verheffen. De scepter van de majesteit van God (cf Heb 1,8), de Heer Jezus Christus, is niet gekomen begeleid door de hoogmoed en de trots - en toch kon Hij dat- maar met nederigheid van hart, zoals de heilige Geest van Hem had gezegd: “Wie heeft er geloofd in wat wij hebben gehoord? Aan wie is de arm van de Heer getoond? Als een jonge plant schoot hij recht omhoog, als een wortel die in dorre grond ontkiemt. Zijn uiterlijk noch zijn schoonheid waren het bekijken waard; hij was geen verschijning die onze bewondering wekt... maar werd door ons geminacht en als niet de moeite waard beschouwd” (Jes 53,1-3)... Ziet u mijn geliefden, welk voorbeeld u gegeven is. Als de Heer zich zo heeft vernederd, wat moeten wij dan doen, aan ons heeft Hij het gegeven om zijn genadevolle juk op te nemen?
Broeders en zusters, er staat geschreven dat Abraham twee zonen kreeg, een van de slavin en een van de vrije vrouw. maar de zoon van de slavin werd geboren naar het vlees, die van de vrije vrouw uit kracht van de belofte. Deze dingen zijn allegorisch bedoeld. De twee vrouwen zijn twee verbonden: het ene, dat van de berg Sinai, brengt slaven voort en dat is Hagar; Maar het Jeruzalem van omhoog is vrij en dat is onze moeder. Want er staat geschreven: Verheug u, onvruchtbare, gij die niet baart, breek los in gejuich, gij die geen weeen kent. Want de kinderen der eenzame zullen talrijker zijn dan de kinderen van haar die de man heeft. Broeders, wij zijn dus geen kinderen van een slavin, maar van de vrije vrouw. Voor die vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen.