Broeders en zusters, houdt u dus ver van alle afgoderij. Ik spreek toch tot verstandige mensen; vormt uw eigen oordeel over wat ik ga zeggen. Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het brood een is, vormen wij allen tezamen een lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood. Kijkt ook naar het Joodse volk: treden zij die de offers nuttigen, niet in gemeenschap met het altaar? Ik beweer niet, dat het aan de afgoden geofferde vlees als zodanig iets bijzonders is of dat er afgoden bestaan. Maar wat de heidenen offeren, offeren zij aan boze geesten en niet aan God, en ik wil niet dat gij gemeenschap aangaat met de boze geesten. Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der demonen; gij kunt niet deel hebben aan de tafel des Heren en aan de tafel der demonen. Of willen wij de Heer tot naijver prikkelen? Zijn wij sterker dan Hij?
Met offers zal ik U loven, Heer. Hoe kan ik mijn dank betuigen voor al wat de Heer mij gaf? Ik hef de offerbeker, de Naam van de Heer roep ik aan. Met offers zal ik U loven de Naam van de Heer roep ik aan. Ik zal mijn geloften volbrengen waar heel zijn volk het ziet
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt en evenmin een zieke boom die goede vruchten voortbrengt. Iedere boom immers wordt gekend aan zijn vruchten; men plukt geen vijgen van dorens, men oogst geen druiven van een braamstruik. Een goed mens brengt uit de schat van goedheid in zijn hart het goede te voorschijn, maar een slechte uit zijn schat van slechtheid het slechte; want zijn mond spreekt waar zijn hart van overloopt. Waarom toch noemt gij Mij: Heer, Heer! als ge niet doet wat Ik zeg? Ieder die tot Mij komt, naar mijn woorden luistert en er naar handelt, Ik zal u duidelijk maken op wie hij gelijkt. Hij gelijkt op de man die bij het bouwen van zijn huis diep had gegraven en het fundament had gelegd op de rotsgrond. Toen de stortvloed kwam, beukte de storm op dat huis, maar had niet de kracht om het te doen wankelen, omdat het zo goed gebouwd was. Wie luistert maar niet doet, gelijkt op de man die zijn huis op de grond bouwde zonder fundering, de storm beukte erop en ogenblikkelijk stortte het in en de verwoesting van dat huis was volkomen.'
Door de tekst van Jesaja: "Gij zult God eer geven door niet uw eigen wegen te volgen" (vgl. Jes. 58,13), begreep Gertrudis dat degene die vooraf nadenkt over wat hij gaat doen of zeggen, en inziet dat dit geen enkel nut heeft, maar zijn neiging daartoe bedwingt, daaruit een drievoudig voordeel ontvangt. Ten eerste (…) wordt hem gegeven in God zoetere genoegens te vinden. Ten tweede zullen kwade gedachten minder vat op hem hebben (…). Ten derde zal de Zoon van God hem in het eeuwige leven een overvloediger deel schenken aan de vruchten van die verheven heiligheid van leven, waardoor hij elke bekoring met indrukwekkende edelmoedigheid heeft weerstaan en haar glorievol heeft overwonnen. (…) Door de tekst: "Zie, zijn beloning is bij Hem" (vgl. Jes. 40,10), begreep zij hoe de Heer in zijn liefde zelf de beloning is van zijn uitverkorenen. Hij schenkt zichzelf met zo grote mildheid dat de ziel die Hem liefheeft, in alle waarheid kan zeggen dat zij door een uiterste goedheid beloond is ver boven elke verdienste. "En zijn werk gaat voor Hem uit" (ibid.) betekent dat God, omdat de ziel zich geheel heeft toevertrouwd aan de goddelijke Voorzienigheid en in elke handeling niets anders verlangt dan de wil van God, haar reeds toestaat als volmaakt voor Hem te verschijnen. (…) Zij begreep dat ieder die oprecht boete doet voor alles wat hij gedaan of nagelaten heeft, en zich met een oprecht hart voorbereidt om de geboden van God te gehoorzamen, in alle waarheid voor God geheiligd zal worden. (…) Door deze tekst: "Zingt voor de Heer een nieuw lied" (vgl. Jes. 42,10), begreep zij, dat degene een nieuw lied voor de Heer zingt dat in zijn lofzang de beweging van een innerlijke gave legt. Want juist omdat hem door God de genade geschonken is om zijn verlangen tot God te richten, zal de nieuwe daad die daaruit voortkomt, God welgevallig zijn.
Broeders en zusters, dat ik het evangelie predik, is voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders. Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig! Deed ik het uit eigen beweging, dan had ik recht op loon; maar zo is het niet, het is een taak die mij is toevertrouwd. Wat is dan mijn verdienste? Dat ik het evangelie kosteloos verkondig en geen gebruik maak van het recht, aan de prediking verbonden. Van allen onafhankelijk, heb ik mij de slaaf van allen gemaakt, om er zoveel mogelijk voor Christus te winnen. Met de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen. Alles ben ik voor allen, om er tot elke prijs enkelen te redden. En ik doe alles voor het evangelie om er ook zelf deel aan te krijgen. Gij weet het: de hardlopers in het stadion lopen allen, maar slechts een wint de race. Loop zo dat ge wint! En de atleten ontzeggen zich bij de training allerlei dingen. Zij doen dat om een vergankelijke krans, wij om een onvergankelijke. Ik loop dan ook niet in den blinde, ik boks niet als een die in de lucht slaat. Ik beuk mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, zelf te worden verworpen.