Wee over hen die onrecht beramen en in hun bed boze daden bedenken om die bij het eerste morgenlicht te bedrijven, machtig als hun handen zijn. Begeren zij akkers, dan roven zij die, begeren zij huizen, dan nemen zij die! Zij leggen beslag op de man en zijn huis, op de bezitter en op zijn bezit. Daarom, zo spreekt de Heer, ga Ik tegen dat soort lieden nu eens een boze daad bedenken, iets dat gij niet van uw nek kunt schudden, en rechtop gaan zult gij niet meer; het wordt beslist een kwade tijd! Op die dag zal men een spotlied op u aanheffen en zal er een droevige klaagzang klinken: 'Wij zijn te gronde gericht, totaal te gronde gericht! Het erfdeel van mijn volk geeft Hij aan vreemden! Ach, Hij ontrukt het mij! Aan de goddelozen deelt Hij onze akkers uit!' Dan zult gij niemand meer hebben die u een erfdeel toewijst in de gemeente van de Heer.
Waarom houdt Gij u op een afstand, Heer, verbergt Gij u in tijden van ellende; terwijl de goddeloze in zijn overmoed de arme kwelt, en hem verstrikt in listen en bedrog. De zondaar pocht op zijn verdorven lusten, en met zijn hebzucht lastert hij de Heer. De goddeloze zegt hoogmoedig: niemand zal het wreken, er is geen God; en denkt niet verder na. Zijn mond is vol bedrog en sluwheid, onheil en kwelling heeft hij op de tong. Hij ligt in hinderlaag tussen de struiken, slaat heimelijk de schuldeloze neer. Toch ziet Gij het, ons leed, onze ellende, Gij hebt het immers in uw hand. Aan U geeft de noodlijdende zich over, de vaderloze rekent op uw hulp.
In die tijd verlieten de Farizeeën de synagoge en smeedden plannen om Jezus uit de weg te ruimen. Maar omdat Jezus dit wist, trok Hij vandaar weg. Velen volgden Hem en Hij genas ze allen. Hij drukte hun echter op het hart Hem niet bekend te maken, opdat in vervulling zou gaan het woord door de profeet Jesaja gesproken: Zie, mijn Dienaar, die ik heb verkoren, mijn Welbeminde, in wie mijn ziel behagen vond. Ik zal mijn geest op Hem doen rusten, Gods Wet zal Hij verkondigen aan de volkeren. Hij zal twisten noch schreeuwen en op straat zal men zijn stem niet horen. Een geknakt riet zal Hij niet breken en een smeulende vlaspit niet doven voordat Hij Gods Wet ter overwinning heeft gevoerd; en op Zijn Naam zullen de volkeren hopen.
God kon niet leven met de mensen, behalve door een menselijke wijze van denken en reageren aan te nemen. Daarom heeft Hij de straling van zijn majesteit, die door de menselijke zwakheid niet verdragen zou kunnen worden, in nederigheid gesluierd. Dat alles was Hem niet waardig, maar het was nodig voor de mens en daarom werd het God waardig, want niets is God zo waardig als het redding van de mens… Alles wat God verliest, wint de mens. Alle vernederingen, die mijn God heeft geleden om dichter bij ons te zijn, vormen het sacrament van de redding van de mens. God handelt met de mensen opdat de mens leert te handelen op het goddelijk vlak. God behandelt de mens op voet van gelijkheid, opdat de mens op voet van gelijkheid met God kan handelen. God heeft zich klein gemaakt, opdat de mens groot wordt.
In die dagen werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, ging naar hem toe en zei tot hem: ''Dit zegt de Heer: stel orde op uw huis, want gij gaat sterven en zult niet in leven blijven.' Toen keerde Hizkia zijn gezicht naar de muur en bad tot de Heer: 'Ach Heer, bedenk toch hoe ik onder uw ogen geleefd heb met een trouw en toegewijd hart, en hoe ik gedaan heb wat U behaagt.' En Hizkia weende luid. Het woord van de Heer kwam tot Jesaja: 'Ga aan Hizkia zeggen: Dit zegt de Heer, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, uw tranen gezien. Ik zal aan uw leven vijftien jaar toevoegen; Ik zal u en deze stad uit de greep van de koning van Assur redden en Ik neem deze stad onder mijn hoede. Jesaja had gezegd: ''Haal een vijgekoek en leg die op zijn gezwel, dan zal hij weer opleven.' Daarop had Hizkia gevraagd: ''Aan welk teken kan ik zien dat ik weer zal opgaan naar de tempel van de Heer?' Dit is het teken dat de Heer u zal geven om u te laten weten dat de Heer inderdaad het woord zal nakomen dat Hij gesproken heeft. Ik laat op de trap van Achaz de schaduw die de zon al tien treden omlaag heeft doen gaan, tien treden omhoog gaan.' En de zon keerde tien treden terug op de treden die ze reeds afgedaald was.