Broeders en zusters, wij dragen een schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar wij zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld maar gaan er niet aan dood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden. Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan. Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u. Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten, dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken, om ons tot zich te voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u: de genade moet zich in velen vermenigvuldigen, zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam.
De Heer bracht Sions ballingen terug, het was alsof wij droomden. Toen lachten alle monden, en juichte elke tong. Toen zei men bij de volken geweldig is het wat de Heer ons deed Geweldig was het wat de Heer ons deed, daarom zijn wij zo blij. Keer nu ons lot ten goede, Heer, zoals een beek doet in de Zuid-woestijn. Die onder tranen zaaien zij oogsten met gejuich. Vol zorgen gaan zij uit met zaaizakken beladen; maar keren zingend weer beladen met hun schoven.
In die tijd zei Jezus tot de twaalf: Neemt u in acht voor de mensen. Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken en u geselen in hun synagogen. Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden omwille van Mij, om zo ten overstaan van hen en de heidenen getuigenis af te leggen. Maakt u echter, wanneer men u overlevert niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken: op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen. Want niet gij zijt het die spreekt, maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader. De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden, de vader zijn kind; de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood doen brengen. Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam. Wie echter ten einde toe volhardt, hij zal gered worden.
Geest van eeuwige Liefde die werkt vanuit de Vader en de Zoon, wij danken U voor alle roepingen van apostelen en heiligen die de Kerk vruchtbaar maken. Wij bidden U: blijf doorgaan met uw werk. Gedenk het moment waarop, met Pinksteren, U over de in gebed verzamelde apostelen, en over Maria, de moeder van Jezus, neerdaalde, en kijk naar uw Kerk die vandaag de dag een bijzondere behoefte heeft aan heilige priesters, aan trouwe getuigen, die bevoegd zijn om van U te getuigen, die gewijde mannen en vrouwen nodig heeft, die stralen van vreugde om hen die alleen leven voor de Vader, om hen die hun taken en de offerande van Christus doen. om hen die uit liefde de nieuwe wereld bouwen. Heilige Geest, eeuwige Bron van vreugde en vrede, U opent het hart en de geest bij de goddelijke roep; U maakt elk vuur werkzaam voor het goede, voor de waarheid en voor de liefde. Uw onuitspreekbare verzuchtingen stijgen op naar de Vader in het hart van de Kerk, die lijdt en strijdt voor het Evangelie. Open het hart en de geest van jonge mannen en jonge vrouwen opdat een nieuwe bloei van heilige roepingen de trouw van uw liefde toont, en dat allen Christus kunnen kennen, waarlijk Licht dat in de wereld gekomen is om aan elk menselijk wezen de verzekerde hoop van het eeuwige leven wordt gegeven. Amen.
Zo spreekt de Heer: De kinderen van Israël hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; zij hebben zich leiders gekozen, maar buiten Mijn weten. Van hun zilver en goud maakten zij afgodsbeelden, goed om stukgeslagen te worden. Verwijder toch uw stierebeeld, Samaria! Mijn toorn ontbrandt tegen hen. Hoelang zal het nog duren? Zijn ze dan niet tot onschuld in staat? Ja, die afgod komt uit Israël, door een kunstenaar daar gemaakt, maar het is geen god. Ja, het zal versplinterd worden, dat stierebeeld van Samaria! Ja, zij zaaien wind, maar storm zullen zij oogsten: de halmen waar geen groei in zit geven geen meel, en al geven zij het wel, vreemden vrat en het op. Ja, Efraim heeft zijn altaren talrijk gemaakt, maar die dienden om te zondigen, altaren om te zondigen! Al schrijf Ik mijn wet ook nog zo vaak aan hem voor, zij geldt als de wet van een vreemde. Zij brengen offers naar hun eigen welbehagen en eten van het offervlees, maar de Heer aanvaardt die niet. Nu herinnert Hij zich hun schuld en straft Hij hun zonden: zij gaan naar Egypte terug!