Lezingen van de Dag

DAGELIJKS EVANGELIE Ontvang iedere morgen de dagelijkse lezingen via email ! Katholieke, meertalige, gratis service.

  • Dinsdag 24 Maart : Lezing uit het boek Numeri 21,4-9.
    on 24 maart 2026 at 07:31

    In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: “Hebt gij ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.” Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. Nu kwam het volk naar Mozes en zei: “Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd. Bid de Heer, dat hij die slangen van ons wegneemt.” Toen bad Mozes voor het volk en de Heer zei tot hem: “Maak zo'n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.” Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven.

  • Dinsdag 24 Maart : Psalmen 102(101),2-3.16-18.19-21.
    on 24 maart 2026 at 07:31

    Heer, verhoor mijn gebed, laat mijn geroep U bereiken. Verberg uw gelaat niet voor mij, wanneer de zorgen mij drukken. Schenk mij uw aandacht, Heer, verhoor mij zodra ik U aanroep. De heidenen zullen uw Naam weer duchten, de vorsten der aarde uw heerlijkheid wanneer Gij de muren van Sion herbouwt, wanneer Gij daar weerkeert in volle luister, wanneer Gij de stem der geplunderden hoort, hun smeekbeden niet naast U neerlegt. Stelt dit dan op schrift voor het komend geslacht en laat onze zonen de Heer ervoor danken. De Heer ziet omlaag van zijn heilige hoogte, Hij ziet uit de hemel op aarde neer Hij zal het geschrei der gevangenen horen, verlossen die aan de dood zijn gewijd.

  • Dinsdag 24 Maart : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 8,21-30.
    on 24 maart 2026 at 07:31

    In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën : 'Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga kunt gij niet komen.' De Joden zeiden daarop: 'Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?' Maar Hij hernam: 'Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.' Zij vroegen Hem toen: 'Wie zijt Gij dan?' Jezus antwoordde: 'Waarom zou Ik daar eigenlijk nog met u over spreken? Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarach­tig, en wat ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.' Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. Daarop zei Jezus: 'Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.' Toen Hij aldus sprak, gingen er velen in Hem geloven.

  • Dinsdag 24 Maart : H. Athanasius
    on 24 maart 2026 at 07:31

          Iemand zou kunnen vragen: als Christus voor allen zijn lichaam aan de dood moest offeren, waarom heeft Hij het dan niet gewoon als een mens verlaten; waarom heeft Hij zich laten kruisigen? Je zou kunnen zeggen dat het gemakkelijker voor Hem was om in waardigheid afstand te doen van zijn lichaam, dan om de smaad van een dergelijke dood te ondergaan. Dat bezwaar is te menselijk: wat de Heer is overkomen is waarlijk goddelijk en om meerdere redenen zijn goddelijkheid waardig.       Ten eerste omdat de dood die over de mensen komt, hun gebeurt door de zwakte van hun natuur; het kan niet langer meegaan, ze takelen af met de tijd. Ziektes overkomen hun, en als ze hun krachten verloren hebben, dan sterven ze. Maar de Heer is niet zwak; Hij is de Kracht van God, Hij is het Woord van God en het Leven Zelf. Als Hij in een privé situatie afstand van zijn lichaam had gedaan, in een bed, zoals de meeste mensen, dan zou men kunnen denken… dat Hij niets meer was dan de andere mensen… Het paste niet dat de Heer ziek zou zijn, Hij genas de ziektes van anderen…       Waarom heeft Hij de dood dan niet verwijderd, zoals Hij de ziekte verwijderd heeft? Omdat Hij juist daarvoor een lichaam bezat, en om de verrijzenis niet te belemmeren… Maar, zal misschien iemand zeggen, Hij had het complot van zijn vijanden kunnen ontwijken, om zijn lichaam helemaal onsterfelijk te behouden. Dat die persoon dan leert, dat dit ook niet past bij de Heer. Evenals het niet waardig was voor het Woord van God, die het Leven was, om  de dood aan zijn lichaam uit eigen initiatief te geven, zo paste het Hem ook niet om te vluchten voor de dood, die door anderen gegeven werd… Een dergelijke houding betekent op geen enkele manier de zwakheid van het Woord, maar liet Hem als Verlosser en Leven kennen… De Verlosser kwam zijn eigen dood niet volvoeren, maar die van de mensen.

  • Maandag 23 Maart : Uit de profeet Daniël 13,1-9.15-17.19-30.33-62.
    on 24 maart 2026 at 07:31

    Lang geleden woonde in Babylon een man die Jojakim heette. Hij was getrouwd met Susanna, de dochter van Chilkia. Zij was een bijzonder mooie vrouw en had ontzag voor God. Haar ouders waren rechtschapen en hadden hun dochter opgevoed volgens de wet van Mozes. Jojakim was een vermogend man. Hij had een tuin naast zijn huis en daar vergaderden de Joden, want hij genoot het meeste aanzien van iedereen. Nu waren er dat jaar twee volksoudsten als rechters aangesteld, van wie gold wat de Heer gezegd heeft: ‘Wetteloosheid is uitgegaan van Babylon, van de oudsten, die rechters waren en geacht werden het volk te besturen.’ Zij brachten veel tijd bij Jojakim door, en iedereen die een geschil had ging naar hen toe. Als tegen de middag het volk was weggegaan, ging Susanna in de tuin van haar man wandelen. Elke dag zagen de twee oudsten haar daar binnenkomen en rondwandelen, en ze gingen haar steeds meer begeren. Ze luisterden niet naar hun verstand en keken niet meer op naar de hemel; ze vergaten dat er ook over hen rechtvaardig geoordeeld zou worden. Nog terwijl ze dat bespraken, kwam Susanna zoals gewoonlijk de tuin binnen met twee dienaressen. Ze verlangde ernaar te baden, want het was warm. Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen om haar te begluren. Ze zei tegen de dienaressen: ‘Ga olie en balsems voor mij halen en sluit de poort van de tuin, dan kan ik een bad nemen.’ Zodra de dienaressen weg waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe. Ze zeiden: ‘De poort van de tuin is dicht en niemand kan ons zien. We worden verteerd door verlangen naar jou. Doe wat wij je vragen en heb gemeenschap met ons. Anders zullen we tegen jou getuigen en zeggen dat er een jongeman bij je was en dat je daarom je dienaressen hebt weggestuurd.’ Susanna kreeg het benauwd en zei: ‘Ik kan geen kant op, want als ik aan u toegeef betekent dat mijn dood, en als ik het niet doe ben ik aan u overgeleverd. Toch doe ik het niet. Ik val liever in uw handen dan dat ik tegen de Heer zondig.’ En Susanna begon luid te roepen, maar de twee oudsten overstemden haar. Een van hen liep naar de poort van de tuin en maakte die open. Toen de dienaren in het huis het geroep in de tuin hoorden, renden ze door de zij-ingang de tuin in om te zien wat er met Susanna was gebeurd. Toen de oudsten hun verhaal hadden gedaan, schaamden de dienaren zich diep, want zoiets hadden ze nog nooit over Susanna gehoord. De volgende dag, toen het volk bij haar man Jojakim bijeenkwam, waren daar ook de twee oudsten, die hun misdadige plan om Susanna te doden ten uitvoer wilden brengen. Ze zeiden waar iedereen bij stond: ‘Laat Susanna halen, de dochter van Chilkia, de vrouw van Jojakim.’ En zo gebeurde het. Ze kwam, samen met haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. Maar de mensen in haar gezelschap, en allen die haar zagen, moesten huilen. Te midden van het volk stonden de twee oudsten op en legden hun handen op haar hoofd. Huilend keek Susanna op naar de hemel, want in haar hart vertrouwde ze op de Heer. De oudsten zeiden: ‘Terwijl wij alleen in de tuin wandelden, kwam deze vrouw met twee dienstmeisjes binnen, sloot de poort van de tuin en stuurde de meisjes weg. Toen kwam er een jongeman naar haar toe die zich verborgen had gehouden, en hij ging bij haar liggen. Vanuit een hoek van de tuin zagen wij dat misdadige gedrag en wij haastten ons erheen. We zagen dat ze gemeenschap hadden, maar konden hem niet overmeesteren omdat hij sterker was dan wij en door de poort naar buiten vluchtte. Toen hebben we haar gegrepen en haar gevraagd wie die jongeman was. Zij wilde het ons niet zeggen. Dit is ons getuigenis.’ En de vergadering geloofde hen omdat ze oudsten van het volk en rechters waren, en Susanna werd ter dood veroordeeld. Daarop riep zij met luide stem: ‘Eeuwige God, u die het verborgene kent en alles weet voordat het gebeurt, u weet dat zij mij vals beschuldigd hebben. Ik moet sterven, hoewel ik niets gedaan heb van alles waar zij mij van betichten.’ En de Heer hoorde haar. Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, wekte God het heilige vuur in een jongen die Daniël heette.Daniël Hij riep luid: ‘Ik maak mij niet schuldig aan haar bloed.’ Het hele volk keerde zich naar hem toe en zei: ‘Wat bedoel je daarmee?’ Hij ging in hun midden staan en zei: ‘Bent u wel bij zinnen, zonen en dochters van Israël? Veroordeelt u een dochter van Israël zonder ondervraging, zonder kennis van de feiten? Ga terug naar de vergaderplaats, want ze hebben haar vals beschuldigd.’ Het hele volk ging haastig terug. De oudsten zeiden tegen Daniël: ‘Kom bij ons zitten en zeg wat je te zeggen hebt, want God heeft je de wijsheid van een oudere man gegeven.’ En Daniël zei: ‘Zet de twee rechters ver uit elkaar, dan zal ik hen ondervragen.’ Toen ze uit elkaar gezet waren, riep hij eerst de een bij zich en zei: ‘U bent in slechtheid oud geworden, maar nu komen ook uw eerdere zonden aan het licht. U hebt onrechtvaardige vonnissen geveld: onschuldigen veroordeeld en schuldigen vrijgesproken, terwijl de Heer zegt: “Breng een onschuldige die in zijn recht staat niet ter dood.” Als u deze vrouw werkelijk gezien hebt, zeg ons dan: onder wat voor boom hebt u hen met elkaar gezien?’ Hij antwoordde: ‘Onder een mastiekboom.’ Daniël zei: ‘Mooi! Met die leugen hebt u uw eigen straf bepaald, want Gods engel heeft van God al bevel gekregen u te vellen.’ Hij stuurde hem weg en liet de ander voorleiden. Tegen hem zei hij: ‘U bent een nakomeling van Kanaän en niet van Juda! Schoonheid heeft u misleid, begeerte uw hart verdorven. Zo hebt u de dochters van Israël behandeld, en uit angst hadden zij gemeenschap met u. Maar deze dochter van Juda heeft zich tegen uw wetteloosheid verzet. Nu dan, zeg mij: onder wat voor boom hebt u hen met elkaar betrapt?’ En hij zei: ‘Onder een eik.’ Toen zei Daniël: ‘Mooi! Ook uw leugen keert zich tegen u, want Gods engel staat al klaar met een zwaard om u te doorklieven. Hij vernietigt u beiden.’ Hierop begonnen alle aanwezigen luid te juichen en God te prijzen, die redt wie op hem vertrouwt. Ze verdrongen zich om de twee oudsten, die Daniël op grond van hun eigen woorden als valse getuigen had ontmaskerd. Zoals de wet van Mozes gebiedt, deden ze met hen wat zij een ander hadden willen aandoen: ze brachten hen ter dood. Zo werd die dag onschuldig bloed gered.