Broeders en zusters, ik ben naar Jeruzalem gegaan, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee. God had te kennen gegeven, dat ik moest gaan. Ik legde hun - dat wil zeggen, de mannen van aanzien - in besloten vergadering het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig. Ik wilde er zeker van zijn, dat ik niet voor niets had gewerkt of zou werken. Zij, van hun kant, zagen in, dat aan mij het evangelie was toevertrouwd voor de heidenen, juist zoals aan Petrus het evangelie was toevertrouwd voor de joden. Want Hij, die Petrus gesterkt had voor het apostelschap onder de joden, had mij kracht gegeven om apostel te zijn bij de heidenvolken. Zij erkenden dus de mij geschonken genade en zij - dat wil zeggen Jakobus, Kefas en Johannes, die steunpilaren - reikten Barnabas en mij de hand als teken van gemeenschap: wij zouden naar de heidenen gaan, zij naar de joden. Maar wij moesten wel hun armen blijven gedenken, wat ik dan ook van harte gedaan heb. Maar toen Kefas in Antiochië kwam, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, want het ongelijk was duidelijk aan zijn kant. Eerst at hij gewoon met de heidenchristenen mee, maar toen sommige mensen van Jakobus gekomen waren, begon hij zich terug te trekken en zich afzijdig te houden uit vrees voor de mannen van de besnijdenis. De andere joodse christenen deden aan dit spel mee; zelfs Barnabas liet zich door hun veinzerij meeslepen. Toen ik zag dat hun gedrag niet strookte met de waarheid van het evangelie, zei ik tegen Kefas waar allen bij waren: “Als jij, een geboren jood, leeft als een heiden en niet als een jood, met welk recht kun je dan de heidenen dwingen om te leven als joden?”
Looft nu de Heer, alle naties der aarde, huldigt de Heer, alle volken rondom; omdat Hij bij ons zijn goedheid getoond heeft; de trouw van de Heer houdt in eeuwigheid stand.
Op een keer was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij ophield, zei een van zijn leerlingen tot Hem: 'Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft.' Hij sprak tot hen: 'Wanneer ge bidt, zegt dan: Vader, Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome. Geef ons iedere dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven aan ieder die ons iets schuldig is, En leid ons niet in bekoring.'
Het hoogste goed is het gebed, het vertrouwelijke gesprek met God. Het is een betrekking tot God en een vereniging met Hem. Zoals de ogen van het lichaam worden verlicht wanneer zij het licht aanschouwen, zo wordt de ziel die zich naar God uitstrekt, verlicht door zijn onuitsprekelijke licht. Het gebed is niet het gevolg van een uiterlijke houding, maar komt voort uit het hart. Het beperkt zich niet tot bepaalde uren of vastgestelde momenten, maar blijft zowel ’s nachts als overdag voortdurend werkzaam. Men moet er niet mee volstaan de gedachten op God te richten wanneer men zich uitsluitend aan het gebed wijdt; ook wanneer de geest in beslag wordt genomen door andere bezigheden – bijvoorbeeld door de zorg voor de armen of door een andere zorg die gericht is op een goed en nuttig werk – is het belangrijk daarin het verlangen naar en de herinnering aan God te verweven. Zo biedt men de Heer van het heelal een zeer aangenaam voedsel aan, gekruid met het zout van de liefde tot God. Het gebed is het licht van de ziel, de ware kennis van God, de Middelares tussen God en de mensen. Door het gebed verheft de ziel zich tot de hemel en omhelst zij de Heer met onuitsprekelijke omhelzingen. Zoals een zuigeling naar zijn moeder, zo roept zij wenend tot God, dorstend naar de goddelijke melk. Zij brengt haar diepste verlangens tot uitdrukking en ontvangt gaven die boven al het zichtbare en geschapene uitstijgen. Het gebed, waardoor wij ons eerbiedig voor God stellen, is de vreugde van het hart en de rust van de ziel.
Broeders en zusters, gij hebt gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel heb vervolgd en haar trachtte uit te roeien; en hoe ver ik het bracht in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. Maar toen Hij die mij vanaf mijn geboorte had uitgekozen en mij riep door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenvolken zou verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabie en vandaar weer teruggekeerd naar Damascus. Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om met Kefas kennis te maken en ik ben maar veertien dagen bij hem gebleven. Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broeder des Heren. Wat ik u schrijf is de zuivere waarheid. God is mijn getuige. Daarna ging ik naar het gebied van Syrie en Cilicie; maar ik was persoonlijk onbekend bij de christengemeenten van Judea. Zij wisten alleen van horen zeggen: «Hij die ons vroeger vervolgde verkondigt nu het geloof dat hij vroeger wilde uitroeien.» En zij verheerlijkten God om mij.