Broeders en zusters, aan ieder van ons afzonderlijk is de genade verleend naar de maat van Christus’ gave. Daarom zegt de Schrift: Hij is opgevaren naar den hoge, Hij heeft gevangenen meegevoerd, Hij heeft gaven gegeven aan de mensen. Hij is opgestegen: dit betekent dat Hij eerst in de diepte is afgedaald tot op de aarde. Hij die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen hoog boven alle hemelen, om het heelal te vervullen. Hij heeft ook gaven gegeven: sommigen maakte Hij apostelen, anderen profeten, anderen evangelisten, weer anderen herders en leraars, om de heiligen toe te rusten voor het werk der bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen tezamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus. Dan zullen wij niet langer onmondig zijn, heen en weer geslingerd en meegesleurd door elke windvlaag, ik bedoel, elke leer die door het valse spel van sluwe mensen wordt uitgedacht om tot dwaling te verleiden. Neen, laten wij de waarheid spreken in liefde en zo geheel naar Christus toegroeien. Hij is het hoofd waaruit het hele lichaam kracht put. Als een welsluitend geheel bijeengehouden door de steun van al zijn gewrichten bereikt het zijn volle wasdom door de werkzaamheid die ieder deel is toegemeten en bouwt het zichzelf op in liefde.
Hoe blij was ik toen men mij riep: Wij trekken naar Gods huis! En nu mag mijn voet, Jeruzalem uw poorten binnentreden. Jeruzalem, ommuurde stad, zo dicht opeen gebouwd: Daarheen trekken de stammen op, de stammen van Gods volk. Zij gaan naar Israëls gebruik de Naam van God vereren. Daar staan de zetels voor het recht, de troon van Davids huis.
In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs, van wie Pilatus het bloed met dat van hun offerdieren vermengd had. Daarop zei Jezus: Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen dezen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen. Of die achttien die gedood werden, doordat de toren bij de Siloam op hen viel: denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden? Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.' Hij vertelde nu deze gelijkenis: 'Iemand had een vijgeboom die in zijn wijngaard geplant stond; hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets. Toen zei hij tot de wijngaardenier: Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgeboom vruchten zoeken, maar ik vind er geen. Hak hem om: waartoe put hij nog de grond uit? Maar de man gaf hem ten antwoord: Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest op brengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken.'
Laten we moeite doen om verbonden te zijn met de verrijzenis van Christus en om van de dood naar het leven te gaan, terwijl we nog in het lichaam zijn. Voor elke mens betekent dit, wat voor soort bekering ook hij ook doormaakt, van de ene staat naar de andere gaan, het einde van iets – niet meer zijn wie men was- en het begin van een andere –zijn wat men niet was. Maar het is belangrijk te weten voor wie men sterft en voor wie men leeft, want er is een dood die laat leven en een leven dat laat sterven. En het is juist in die kortstondige wereld dat men het een en het ander zoekt; de kwaliteit van ons handelen hierbeneden maakt het verschil in de eeuwige beloning. Sterven we dus voor de duivel en leven we voor God; laten we sterven voor de zonde om in gerechtigheid te verrijzen; dat de oude mens verdwijnt opdat de nieuwe mens opstaat. Aangezien, naar het woord van de Waarheid, “niemand twee meesters kan dienen” (Mt 6,24), laten we als meester niet degene nemen die hen laat struikelen om ze naar het verderf te leiden, maar degene die hen die gevallen zijn opheft, om ze naar de heerlijkheid te brengen.
Broeders en zusters, ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aandrang: leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God ontvangen hebt, in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend. Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede: een lichaam en een Geest, zoals gij ook geroepen zijt tot een en dezelfde hoop waarvoor Gods roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen en met allen en in allen.