Het woord van de Heer werd tot mij gericht: Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot de herders: Dit zegt God de Heer: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet hun schapen weiden? Ge eet het vet, ge kleedt u met de wol, ge slacht het vetgemeste dier, maar weiden doet ge de beesten niet. Het zwakke dier geeft ge niets om aan te sterken, het zieke dier geneest ge niet, het gewonde verbindt ge niet, het verdwaalde brengt ge niet terug en het verlorene zoekt ge niet; ge behandelt de dieren hard en ruw. Ze raken verspreid omdat niemand ze weidt; ze vallen ten prooi aan de wilde dieren of raken verdwaald. Mijn schapen dolen rond over alle bergen en hoge heuvels; over heel de aarde zijn mijn schapen verstrooid, zonder dat er iemand naar vraagt of naar zoekt. Daarom, herders, luistert naar het woord van de Heer: Zo waar Ik leef, zegt God de Heer: omdat mijn schapen weggeroofd worden, omdat ze ten prooi vallen aan de wilde dieren doordat niemand ze weidt, omdat mijn herders zich niet om de schapen bekommeren, maar alleen zichzelf weiden en niet mijn schapen, daarom, herders, hoort het woord van de Heer. Dit zegt de Heer: Ik keer mij tegen de herders! Ik zal mijn schapen van hen opeisen en henzelf als herder ontslaan. De herders zullen niet langer zichzelf weiden; Ik zal mijn schapen uit hun mond bevrijden, ze zullen hun niet langer als voedsel dienen. Want, zegt God de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen.
De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort; Hij laat mij weiden op groene velden. Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten, Hij geeft mij weer frisse moed. Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden, omwille van zijn Naam. Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt. Uw stok en uw herdersstaf, geven mij moed en vertrouwen. Gij nodigt mij aan tafel tot ergernis van mijn bestrijders. Met olie zalft Gij mijn hoofd, mijn beker is overvol. Voorspoed en zegen verlaten mij nooit elke dag van mijn leven. Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.
In die tijd verhaalde Jezus de volgende gelijkenis: Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard. Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag en stuurde ze naar zijn wijngaard. Rond het derde uur ging hij er weer op uit en zag nog anderen werkloos op de markt staan tot wie hij zei: Gaat ook naar mijn wijngaard en ik zal u geven wat billijk is. En zij gingen. Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit en vond er weer anderen staan. Hij zei tot hen: Wat staat ge heel de dag werkloos? Ze antwoordden hem: Niemand heeft ons gehuurd. Daarop zei hij tot hen: Gaat ook gij naar mijn wijngaard. Bij het vallen van de avond sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders en betaal hun uit, te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten. Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen, kregen zij elk een denarie; toen nu ook de eersten kwamen, meenden dezen dat zij meer zouden krijgen, maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie. Ze namen hem wel aan, maar begonnen tegen de landeigenaar te morren en zeiden: Dezen hier, die het laatst gekomen zijn, hebben maar een uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen. Maar hij antwoordde een van hen: Vriend, ik doe u toch geen onrecht? Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie? Neem wat u toekomt en ga heen. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben? Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.'
Mijn geliefden, blijf bij de goede werken die u begonnen bent… Hoeveel ongelukkigen dienen niet, met gevaar voor eigen leven en onder zware omstandigheden, een aardse koning, om een gewin dat maar al te snel verbruikt is en verdwijnt? Waarom niet veeleer de Hemelse Koning gediend omwille van de vreugde van het Rijk der Hemelen? Want door het geloof heeft de Heer ons geroepen tot zijn wijngaard, dat wil zeggen tot de eenheid van de heilige Kerk. Leef en gedraag u dan als zodanig opdat u, dankzij de Gods vrijgevigheid, dat geldstuk zult ontvangen, die denarie die de vreugde van het Rijk der Hemelen is. Dat toch niemand wanhoopt door de grootte van zijn zonden en zegt: “Talrijk zijn de zonden waarin ik in mijn ouderdom volhardde, ja zelfs tot op hoge leeftijd; ik zal dus geen vergeving meer kunnen krijgen; het waren immers de zonden die mij verlieten, ik heb ze niet zelf verworpen”. Dat diegene niet wanhoopt aan Gods barmhartigheid, want de ene wordt geroepen tot Gods wijngaard rond het eerste uur, anderen rond het derde, weer anderen rond het zesde, anderen rond het negende uur en nog weer anderen ter elfder ure. Dat betekent toch niets anders dan dat de ene tot dienstbaarheid aan God geroepen is in zijn kindertijd, anderen in hun jeugd, weer anderen in hun volwassenheid, anderen in hun ouderdom, en nog weer anderen op hoge leeftijd. Dat dus niemand, hoe oud ook in jaren, wanhoopt wanneer hij zich tot God bekeren wil. Arbeidt getrouw in de wijngaard van de kerk om als loon de eeuwige vreugde te ontvangen en te heersen met Christus, van eeuwigheid tot in eeuwigheid.
Het woord van de Heer werd tot mij gericht: Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Dit zegt God de Heer: Gij bent hoogmoedig geworden en hebt gezegd: 'Ik ben een god, ik zit op een goddelijke troon, midden op zee.' Ofschoon ge maar een mens bent, en geen god, hebt ge gemeend goddelijke wijsheid te bezitten. Ja, ge bent wijzer dan Daniël; gene geheim is voor u verborgen. Door uw wijsheid en behendigheid hebt ge rijkdommen verworven en goud en zilver vergaard in uw schatkamers. Door uw koopmanstalent hebt ge uw bezit vergroot en zo bent ge trots geworden op uw rijkdom. Daarom zegt God de Heer: omdat ge gemeend hebt goddelijke wijsheid te bezitten, stuur Ik barbaren op u af, de meest geduchte volken. Die zullen hun zwaarden trekken tegen uwe majesteit met al haar wijsheid en uw luister zullen ze onteren. In de onderwereld zullen ze u doen afdalen en ge zult een gewelddadige dood sterven, midden op zee. Als ge oog in oog staat met hem die u doodt, zult ge dan nog volhouden dat ge een god bent? In de macht van hem die u neerslaat zult ge ervaren dat ge een mens bent en geen god. Door de hand van barbaren zult ge een smadelijke dood sterven. Zo heb ik gesproken, luidt de godsspraak de Heer.