In die dagen zei Elia, de Tisbiet Elias in Gilead, tot Achab: Zowaar de Heer leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta; er zal in de volgende jaren geen dauw of regen komen, tenzij op mijn woord. En het woord van de Heer kwam tot Elia: Vertrek van hier, ga naar het oosten en houd u verborgen in het dal van de Kerit, die in de Jordaan uitmondt. Uit de beek kunt ge drinken, en aan de raven heb Ik bevolen, u daar van voedsel te voorzien. Elia deed wat de Heer gezegd had en ging wonen in het dal van de Kerit, die in de Jordaan uitmondt. De raven brachten hem ‘s morgens en 's avonds brood en vlees, en hij dronk uit de beek.
Omhoog naar de bergen richt ik mijn ogen: van waar kan ik hulp verwachten? Mijn hulp zal komen van God de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij zorgt dat uw voet niet struikelt, Hij slaapt niet, die waakt over u. Hij sluimert niet en Hij suft niet, die over Israël waakt. De Heer is het die u behoedt, Hij staat als een wacht aan uw zijde. Bij dag zal de zon u niet deren, bij nacht doet de maan u geen kwaad. De Heer bewaart u voor onheil, uw leven houdt Hij in stand. De Heer is bezorgd voor uw komen en gaan, op deze dag en altijd.
Toen Jezus deze menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus: 'Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten. Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien. Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen. Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil: Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel. Zo immers hebben ze de profeten vervolgd die voor u geleefd hebben.
Gij zijt opgeklommen om plaats te nemen op een hoge berg, Zoals Gij eens zijt neergedaald op de Sinaï; In de wolk hebt Gij de oude Wet verkondigd; In uw lichaam, o Woord, hebt Gij de Nieuwe onderwezen. Gij hebt uw goddelijke mond geopend, Gij hebt de rechtvaardigen zalig geprezen; In plaats van de Tafelen van de Tien Geboden Hebt Gij de negen Zaligsprekingen van de nieuwe Wet gegeven. Gij hebt een ladder geplaatst van de aarde naar de hemel Met negen treden en graden; Daardoor hebt Gij het menselijk geslacht doen opstijgen; Gij hebt het geplaatst onder de negen Koren. Maar ik, ik heb mij zo aan de aarde gehecht Door de ondeugden van de zonde, zo zwaar om te dragen, Dat ik zelfs niet één enkele stap heb gezet Op die negen treden! (…) Nu smeek ik U, Heer, met tranen; Ik omhels, Heer, uw voeten; Verlicht mij, die nog in een lichaam ben, Van de zo zware last van de zonden, Opdat het voor mijn ziel hier beneden mogelijk wordt In de geest tot U op te stijgen in de hemel, Door uw Woorden te volgen als een ladder, En ten minste trede voor trede omhoog te klimmen.
In die dagen sprak Mozes tot het volk: Denk eens terug aan heel de tocht, die de Heer, uw God, u deze veertig jaren door de woestijn liet maken, en hoe Hij u enkel daarom vernederd heeft en beproefd, om uw gezindheid te kennen, of gij zijn geboden zoudt onderhouden, of niet. Hij heeft u vernederd, en u honger doen lijden; maar Hij heeft u ook met het manna gespijzigd, dat gij nooit hadt gekend, en ook uw vaderen niet kenden, om u te leren, dat de mens niet leeft van brood alleen, maar leeft van al wat komt uit Jahweh’s mond. laat dan uw hart zich niet verheffen! Vergeet toch nimmer de Heer, uw God, die u uit Egypteland, uit het slavenhuis heeft geleid; die u door die grote woestijn heeft gevoerd, zo vreselijk door giftige slangen en schorpioenen, en door dorre streken zonder water; die water heeft doen ontspringen aan de steenharde rots; die u in de woestijn met manna heeft gevoed, dat uw vaders niet hebben gekend, en die u enkel daarom heeft vernederd en beproefd, om u ten slotte weldaden te bewijzen.