In de kerk staan diverse altaren, te weten: het hoogaltaar, het Vitusaltaar, het Maria-altaar, het Jozef-altaar, en het Antonius-altaar. Aan de muur hangen historische altaarretabels van het hoogaltaar vóór 1965 en er ligt een bijzonder altaartapijt uit 1912.
Nadat de kerk in september 1892 ingewijd was, werd de Eucharistie gevierd aan een bescheiden altaar van Cuypers. Al snel zag men in dat de prachtige kerk een monumentaal altaar moest hebben. De gemeenschap zocht men naar financiële middelen om zo’n altaar te kunnen bekostigen. Maar het geld was op door de bouw van de toren!
Gelukkig meldde zich een goede geefster: de schoonmoeder van kunstschilder Antonius Brouwer. Zij heette Bernardina Josepha Maassen en ze was de weduwe van Johannes Lambertus van der Heijden. Zij schonk € 5.445,- (ƒ 12.000) om een hoogaltaar te maken. Dat was in die tijd een enorm bedrag. De tombe met de ijzeren tabernakelkast en koperen deuren die Cuypers al had geleverd kostten samen € 1.121 (ƒ 2.470) zodat nog € 4.325 (ƒ 9.530) beschikbaar was voor decoratie. Op 18 december 1892 schreef het kerkbestuur in overleg met Antonius Brouwer een “concours” (prijsvraag) uit. De voorwaarden waaraan het ontwerp moest voldoen, werden gestuurd naar vier kerkelijke kunstenaars: Pierre Cuypers te Amsterdam, Friedrich Mengelberg te Utrecht, J.A. Oor en Zonen te Roermond en Jan Brom te Utrecht. Het kerkbestuur stelde als voorwaarde dat de ontwerpen uiterlijk 31 januari 1893 waren ingezonden. Twee ontwerpen werden teruggestuurd. De jury bestond uit de kunstkenner Alexander Schnütgen, J.F.A. Lindsen uit Utrecht en jhr. Victor de Stuers uit Den Haag. Deze deskundige jury besloot om de opdracht te gunnen aan de kunstenaar Friedrich Wilhelm Mengelberg. Deze Mengelberg had in 1869 zijn atelier in Keulen verplaatst naar Utrecht.
Intussen bleek het tabernakel dat Cuypers had geleverd niet inbraakwerend en brandvrij te zijn. Het kerkbestuur accepteerde het tabernakel niet. Mengelberg bood aan om zonder extra kosten ook een nieuwe tabernakelkast te leveren. Het kerkbestuur besloot om Mengelberg in de kosten tegemoet te komen onder voorwaarde dat ook aan de achterzijde een deur werd gemaakt.
Mengelberg vervaardigde het hoogaltaar uit wit mergelsteen, het zogenaamde “canne pierre”. De kolommen en de altaarsteen zijn van groen marmer. Mengelberg heeft met dit hoogaltaar het ontstaan van de eredienst uitgebeeld. Zoals alle oudere hoogaltaren is het onderverdeeld in een onderbouw (de tombe, altaarsteen of offertafel) en de bovenbouw (ook ‘retabel’ genoemd). Omdat in de Romeinse tijd de Eucharistie werd gevierd boven de graven van de martelaren, heeft de onderbouw van het altaar nog altijd de vorm van een graftombe. Aan de voorzijde van de tombe hangt het voorhangsel of antependium. Dit antependium bestaat uit gebeeldhouwde panelen. Vaak beelden de versieringen van de onderbouw verhalen of personen uit het Oude Testament af, terwijl de figuren op de bovenbouw betrekking hebben op het nieuwe testament. Voor op de tombe ziet men achtereenvolgens vanaf links:

In de altaartafel bevindt zich de altaarsteen. Deze steen is door aartsbisschop Mgr. P. Snickers op 5 september 1892 gewijd met 5 kruisjes, symbool van de 5 kruiswonden van Christus. Volgens de oorkonde liggen in de steen de relieken van de heiligen Damianus en Urbanus. Het plaatsen van relieken van martelaren is een oud gebruik uit de Romeinse tijd. Op de predella vinden we in reliëf de volgende acht profeten afgebeeld:

Onder deze reliefs staat in Latijn op de houten kaarsenbanken “Altare privilegiatum quotidianum perpetuum” wat vertaald betekend “geprivilegieerd altaar, van dag tot dag tot in eeuwigheid”.
De bovenbouw van het hoogaltaar bevat de tabernakel waarop op de twee koperen deuren twee Cherubijnen staan afgebeeld met een banderol in hun handen. De tekst op hun rol luidt: “Panem coeli dedit eis: panem Angelorum manducavit homo” (“Brood van de hemel gaf Hij hun: de mens heeft het brood van de Engelen gegeten”). Op de krans rond hun hoofd is driemaal Sanctus geschreven. Het tabernakel heeft aan de achterzijde nog een deur waardoor de priester vroeger zonder de viering aan het altaar te storen de cibories in het tabernakel kon bereiken voor de H. Communie.
Om het tabernakel is de opstand gebouwd. Links en rechts van de retabels zien we de kleine beelden van vier heiligen. Aan de linkerzijde paus Gregorius met tiara en drievoudige kruisstaf en de bisschop Ambrosius. Aan de rechterzijde Hieronymus met kardinaalshoed en tweevoudige kruisstaf en de bisschop Augustinus met mijter en krulstaf. Dit zijn de vier Westerse kerkvaders die in hun geschriften de eucharistie hebben verdedigd. Ze worden in de kunstgeschiedenis dan ook aangeduid als “verdedigers van het Sacrament”.
Op het linker retabel ziet men de Bruiloft van Kana afgebeeld, en op het linker de Wonderbare Broodvermenigvuldiging:


Boven de tabernakel bevindt zich de zogenaamde expositietroon. Vroeger werd daar de monstrans neergezet voor de aanbidding. Tegenwoordig staat er een kruisbeeld. Links en rechts van het kruis staan afbeeldingen van de vier evangelisten Matheus, Johannes, Markus en Lukas. De evangelisten hebben een medaillon in hun handen met daarop hun eigen mythische afbeelding: de adelaar (Johannes), de mens (Mattheüs), het rund of de os (Lucas) en de leeuw (Marcus). Al deze afbeeldingen zijn ontleend aan de Apocalyps van de Apostel Johannes. Hoger, aan de voet van het pinakel of siertorentje prijkt de pelikaan, één van de symbolen zowel van de lijdende Christus als van de Eucharistie. Er bestaat een antieke legende dat de pelikaan zijn jongen ten leven wekte door het bloed uit zijn eigen borst. Kerkelijke schrijvers hebben hierin een beeld gezien van Christus en de Eucharistie. Hij heeft immers zijn bloed vergoten om ons te redden. En in de Eucharistie worden ons in de tekens van brood en wijn zijn Lichaam en Bloed gegeven. Bij het uitreiken van de communie wordt dan ook gezegd: ‘Het Lichaam van Christus’.
Aan de zijkanten van de retabels zijn de beeltenissen afgebeeld van Simeon (linkerzijde) die zegt: “Laat nu Heer, uw dienaar in vrede gaan, want mijn ogen hebben het heil aanschouwd“. Aan de rechterzijde de beeltenis van Johannes de Doper die zegt: “Zie het Lam Gods“.


In februari 1896 werden twee eikenhouten vleugeldeuren aangebracht (zie de afbeeldingen rechts.


Deze beeldhouwwerken zijn handgesneden uit plataanhout. Ze tonen oud-testamantische voorstellingen die van 1896 tot 1965 in de vleugeldeuren hingen aan weerszijden van het hoogaltaar in de Vituskerk. Rechts ziet u de afbeelding dat Mozes met zijn staf water uit de rots slaat (Ex. 17:1-7) en links ziet u de regen van manna in de woestijn (Ex. 16:1-36).
De retabels werden in 1896 in opdracht van het kerkbestuur vervaardigd door de Utrechtse kunstenaar Friedrich Wilhelm Mengelberg. Het gebeeldhouwde bovendeel van het hoogaltaar is ook van Mengelberg. De tombe van het hoogaltaar en het tabernakel komen uit de kunstwerkplaatsen van Pierre Cuypers.
De vleugeldeuren naast het altaar hingen aan de achterzijde vier panelen met afbeeldingen van Thomas van Aquino (wetenschap), Alphonsus de Liguori (liefde), Leonardus van Veghel (marteldood) en Koning Wenceslaus (eerbied en dienstbetoon). Deze zijn geschilderd door Antonius Brouwer. Deze geschilderde panelen zijn ook gered na de sloop van de vleugeldeuren. In 1973 zijn ze gerestaureerd door parochiaan Hans van den Berg. Ze hangen nu in het priesterkoor aan de hoge pilaren.

Daaronder staat de tekst: “Adoro te devote, latens Deitas, Quae sub his figuris vere latitas:Tibi se cor meum totum subiicit, Quia te contemplans totum deficit.” (“Ik aanbid U met eerbied, verborgen Godheid, die onder deze gedaanten waarlijk verborgen zijt. Mijn hart ondewerpt zich geheel aan U, terwijl het U aanschouwend geheel bezwijkt”.). Deze sacramentshymne ‘Adoro Te devote’ wordt toegeschreven aan Thomas van Aquino (gestorven in 1274).
De vier panelen waren alleen zichtbaar voor het volk in de kerk als de vleugeldeuren gesloten waren. Op 1 maart 1896 werden twee geborduurde gordijnen onder de vleugeldeuren besteld alsmede 4 rouwgordijnen en 2 kaarsenstandaards.
Toen het hoogaltaar in 1965 werd aangepast aan de vernieuwing van de liturgie, werden beide vleugeldeuren en de gordijnen verwijderd. Ook de 12 geschilderde Engelen en de 2 paradijsvlakken in de absis achter het hoogaltaar en de groene tegeltableaus met het ‘Sanctus’ werden wit overschilderd. In 2010 en 2025 zijn deze vlakken gerestaureerd. Datzelfde jaar werden de vleugeldeuren naast het altaar verwijderd. Deze vleugeldeuren zijn verloren gegaan, maar de houtsnijwerken zijn gelukkig bewaard gebleven. De houtsnijwerken raakten in de loop van de jaren beschadigd in de opslag door houtworm, vervuiling en het gebruik van verkeerde beits bij het overschilderen. In 2017 zijn de retabels grondig gerestaureerd door Meubelrestauratie J.M. van der Woude te Amstelveen. Ze hangen nu in de kerk in de buurt van het Vitus-altaar. De nieuwe eikenhouten omlijstingen van de retabels zijn ontworpen en vervaardigd door Jan Matthijs van der Woude.
Een oplettende parochiaan heeft de vier beschilderde panelen uit de container gered. Ze werden enige tijd gebruikt als oprijplank voor de kruiwagen. Ze zijn inmiddels weer gerestaureerd. De panelen hangen nu aan de schoorstenen en de pilaren op het priesterkoor. In 2002 heeft de paramenten-groep de gerestaureerde gordijnen weer opgehangen naast het hoogaltaar. De neogothische versieringen zijn helaas verloren gegaan. Sinds 2002 wordt ook het rouwtextiel (zwarte “rouw” gordijnen en het antependium) weer gebruikt op Allerzielen om het hoogaltaar te versoberen.
Links vooraan in de kerk bevindt zich het St. Vitusaltaar. Dit altaar is gemaakt door de Fa. Cuypers en Stolzenberg te Roermond. Op dit altaar is de heilige Vitus afgebeeld in een vat kokende olie, terwijl hij bidt tot God en keizer Diocletianus toeziet. Links en rechts van deze voorstelling zijn de veertien noodhelpers afgebeeld, die in noodgevallen, bij ziekten, kwalen enz. worden aangeroepen. Vitus behoort eveneens tot deze noodhelpers. Zijn voorspraak wordt gevraagd bij brand en bliksemgevaar. Het raam boven dit altaar heeft eveneens betrekking op Vitus en de noodhelpers.
De veertien Noodhelpers zijn:
Het Vitus-altaar is een geschenk van Gertrudis, Gerardus en Bernardus Fokker, een zus en twee broers, Op de linkerzijde van het altaar staat vermeld “D(ono) D(edit) Anno Domini MDCCCVC” (Geschonken in het jaar onzes Heren 1895) en op de rechterzijde staan hun namen vermeld. In december 1893 deden zij de toezegging aan het kerkbestuur. Met Pasen 1895 was het altaar voltooid en op het patroonsfeest van Sint-Vitus werd het voor het eerst gebruikt.
Op de muur links van het altaar zijn drie taferelen uit het leven van Sint-Vitus aangebracht: Vitus voor de landvoogd van Sicilië; Vitus op de vlucht naar Italië; Vitus die de zoon van keizer Diocletianus geneest. Deze schilderingen werden vervaardigd door de Blaricumse kunstschilder Jan Oosterman en voltooid in april 1915. Ook de vloer voor het Vitus-altaar werd geschonken door bovengenoemde schenkers.
Rechts van het Vitusaltaar staat het Maria-altaar, dat, evenals het hoogaltaar en het Jozef-altaar, werd vervaardigd door Friedrich Wilhelm Mengelberg. Dit altaar werd in 1894 geplaatst. Onder de altaarsteen is de dood van Maria uitgebeeld. Rond haar sterfbed zijn de twaalf apostelen gegroepeerd. De beelden, geplaatst in nissen onder de baldakijnen, stellen voor: centraal de gekroonde Maria met het Kind Jezus, links Elisabeth van Thüringen met rozen in haar schoot, rechts Willem van Maleval met ketenen en een duivelkop onder zijn voeten. Elisabeth en Willem waren de patrones en patroon van de schenkers, het echtpaar Wilhelmus Joannes de Wit en Elisabeth Harmsen, dat op 28 juli 1893 zijn zilveren bruiloft vierde. Op 1 augustus 1893 schonken zij € 1.497,- (f. 3300,-) voor de bouw van het altaar en de aanleg van de vloer ervoor. Het altaar werd uit witte steen gebeiteld en in oktober 1894 geplaatst. De schilderingen rond het Maria-altaar werden mogelijk gemaakt door een schenking van Maria J. van der Kuyl.

Het Jozefaltaar staat naast het Antonius-altaar rechtsvoor in de kerk. Het altaar is vervaardigd door de firma Mengelberg. Het was een geschenk van Johannes Gerardts. Gerardts huwde op 12 september 1867 met Elisabeth Nierman. Vier jaar later stierf zijn echtgenote. Weduwnaar Gerardts en zijn zusters schonken in juli 1893 een som van € 2.268 (ƒ 5.000) om het altaar te laten maken. De kosten bleken echter maar € 1.588 (ƒ 3.500) te bedragen. Daarom werd het resterende geld besteed voor de benodigde glasramen en de altaarbenodigdheden. Ook de vloer voor het altaar was een schenking van Johannes Gerardts.
Het Jozef-altaar is iets somberder van opzet dan het Maria-altaar. In de twee nissen zijn opgesteld: Jozef (met winkelhaak), en Joachim (met staf en een korfje met twee duiven). Aan de buitenzijde staan twee kleine beelden, voorstellende Johannes de Evangelist en Maria Magdalena met een vaas met balsem. Aan de voorzijde van dit altaar is de dood van Jozef uitgebeeld. Ook dit altaar werd omstreeks 1894 geplaatst. Op de muur rechts van het Jozef-altaar zijn nog twee schilderingen te zien: de engel verschijnt aan Jozef in een droom en de vlucht naar Egypte. Een leuk detail in laatstgenoemde schildering is het afgodsbeeldje, dat van zijn sokkel valt als de H. Familie langs komt. Deze afbeelding komt veel voor in de middeleeuwse schilderkunst.
Het altaar, toegewijd aan de heilige Antonius van Padua werd geleverd door de Fa. Cuypers en Stolzenberg te Roermond. Het werd geschonken door het echtpaar Teunis Nieuwenhuizen en Lamberta Peet. Zij schonken het in de zomer van 1892 en begin november 1893 werd het geplaatst. Het Antoniusaltaar is uit witte steen gehouwen en met goud versierd. St. Antonius is in het midden uitgebeeld en aan weerszijden zijn gebeurtenissen uit zijn leven weergegeven. Men ziet o.a. het wonder van de ezel, die voor de monstrans met het Allerheiligste knielt. Aan de linkerzijde van het altaar is de H. Franciscus van Assisië met de stigmata (wondtekenen van Christus) afgebeeld en aan de rechterzijde de H. Bonaventura met kardinaalshoed en staand kruis. Zowel Franciscus als stichter en Bonaventura als generaal van de Orde der Franciscanen namen in het leven van Antonius, die immers ook een Franciscaan was, een belangrijke plaats in.
Op de wand rechts van dit altaar is o.a. de schipbreuk van Antonius op de kust van Sicilië weergegeven. Toen bovengenoemd echtpaar op 11 juli 1899 zijn gouden huwelijksfeest vierde, schonk het een bedrag van € 544 (f 1.200) voor de aanleg van de tegelvloer voor het altaar. Dit altaar bevind zich vooraan rechts in de kerk bij de ingang van de sacristie.
In 1930 schonk een gever, die onbekend wenste te blijven, een bedrag van € 1.271 (f 2.800) voor het doen plaatsen van een Theresia-altaar, vervaardigd door de Kunstwerkplaatsen Cuypers. Dit altaar stond vroeger halverwege links in de kerk, waar later het Heilig Hartbeeld was opgesteld en het Willibrord altaar was. Na aanpassing van de kerk aan de liturgie in 1965 is dit altaar helaas grotendeels verwijderd en is nu niet meer als zodanig in gebruik.
Het marmeren parochiealtaar op het verlengde priesterkoor onder de Vieringtoren is geplaatst in 1969 na het tweede Vaticaans Concilie.
Het handgemaakte altaartapijt is één van de pronkstukken in de Vitus. Het is een tapijt van 6,80 bij 5,20 meter, en het siert al sinds 1912 het priesterkoor.
Het kunstwerk werd vervaardigd door tien dames van de “Parochiële Kerkwerkvereeniging”. Zij waren tussen 1909 en 1912 ruim drie jaar bezig om het tapijt te voltooien. De ontwerper van het tapijt was de kunstzinnige rector H.B. Poppe uit Denekamp. Het tapijt, dat uit acht delen bestaat, is uitgevoerd in kruissteek. Op het tapijt is symbolisch het leven van de christen uitgebeeld, zoals de Bijbel ons dat leert.
In de breedte zijn de drie goddelijke deugden uitgebeeld: Fides, Spes, Charitas (geloof, hoop en liefde).
In de lengte zijn de vier zedelijke deugden uitgebeeld: Justitia, Fortitudo, Prudentia en Temperantia (rechtvaardigheid, sterkte, voorzichtigheid en matigheid). In de vier buitenste cirkels zijn uitgebeeld: de roos, de zonnebloem, de lelie en de passiebloem, met de Latijnse tekst: “Tollite jugum meum super vos et discite a me, quia mitis sum et humilis Corde, et invenietis requim animabus vestris, et jugum meum suave est et onus meum leve“. Vertaald luidt dat: “Neem mij juk op uw schouders en leer van Mij; Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mij juk is zacht en mijn last is licht” (Matteüs 11, 29-30).
In de groene rand tenslotte zijn in Latijn de acht zaligheden geweven: