Gij echter zijt mij trouw gevolgd: in mijn leer, mijn manier van leven, mijn plannen, in geloof, geduld, liefde en volharding, ook in de vervolgingen en het lijden, zoals die mij zijn overkomen in Antiochie, Ikonium en Lystra. Wat voor vervolgingen heb ik al niet moeten verduren! Maar de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden, terwijl deugnieten en charlatans van kwaad tot erger komen, anderen misleidend en zichzelf. Blijf gij echter bij de leer die gij gelovig hebt aanvaard. Bedenk wie het waren die u onderricht hebben en hoe gij van kindsbeen af vertrouwd zijt met de heilige geschriften; daaruit kunt gij de wijsheid putten, die u leidt tot het heil, door het geloof in Christus Jezus. Elk door God geinspireerd geschrift dient ook om te onderrichten in de waarheid en dwalingen te weerleggen, om de zeden te verbeteren en de mensen op te voeden tot een rechtschapen leven, zodat de man Gods voor zijn taak berekend is en toegerust voor elk goed werk.
Al zijn mijn vervolgers en vijanden talrijk, Van uw vermaningen wijk ik niet af; Uw woord is een en al waarheid, En eeuwig houden al uw rechtvaardige voorschriften stand. Vorsten vervolgen mij zonder enige grond, Maar mijn hart is enkel beducht voor uw woord. Die uw wet beminnen, genieten een heerlijke vrede, En struikelen nooit. Jahweh, ik smacht naar uw heil, En onderhoud uw geboden; Ik volbreng uw bevelen, Ja, heel mijn leven ligt voor U bloot!
Bij zijn onderricht in de tempel wierp Jezus eens de vraag op: 'Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen, dat de Messias Zoon van David is? David heeft zelf gezegd door de heilige Geest bewogen: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd. Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?' Het merendeel van het volk luisterde graag naar Hem.
In de Griekse vertaling van de boeken van het Oude Testament (Septuagint of LXX) wordt de onuitsprekelijke naam waarmee God zich aan Mozes heeft geopenbaard, YHWH, weergegeven met Kyrios ("Heer"). Heer wordt vanaf die tijd de meest gebruikelijke naam om de godheid zelf van de God van Israël aan te duiden. Het Nieuwe Testament gebruikt deze sterke betekenis van de benaming "Heer" zowel voor de Vader, als, en dit is nieuw, ook voor Jezus, die zo ook zelf als God erkend wordt. Jezus geeft zichzelf in bedekte termen deze benaming, wanneer Hij met de Farizeeën over de betekenis van psalm 110 van gedachten wisselt (Mc 12,36), maar ook expliciet, wanneer Hij zich tot zijn apostelen richt (Joh 13,13). Zijn hele openbare leven lang toonden de daden waaruit zijn macht over de natuur, over ziekten, demonen, dood en zonde sprak, zijn goddelijke soevereiniteit. Zeer vaak richten mensen zich in de evangelies tot Jezus, terwijl zij Hem "Heer" noemen. Deze benaming getuigt van de eerbied en het vertrouwen van hen die tot Jezus komen en die van Hem hulp en genezing verwachten. Onder de inspiratie van de heilige Geest drukt zij de erkenning uit van het goddelijk mysterie van Jezus. In de ontmoeting met de verrezen Jezus wordt zij aanbidding: "Mijn Heer en mijn God" (Joh. 20,28). Zij krijgt dan een gevoelswaarde van "Mijn Heer en mijn liefde en genegenheid, die eigen zal blijven aan de christelijke overlevering: "Het is de Heer!". (Joh. 21,7). Door Jezus de goddelijke naam Heer te geven, bevestigen de eerste geloofsbelijdenissen van de kerk, vanaf het begin, dat de macht, de eer en de heerlijkheid die men aan God de Vader verschuldigd is, dat men die ook aan Jezus verschuldigd is, Hij bestond immers "in goddelijke majesteit" (Fil. 2,6) en de Vader heeft deze soevereiniteit van Jezus getoond heeft door Hem uit de doden op te wekken en Hem te verheffen tot zijn heerlijkheid. Vanaf het begin van de geschiedenis van het christendom betekent het bevestigen van de heerschappij van Jezus over de wereld en de geschiedenis ook de erkenning dat de mens zijn persoonlijke vrijheid aan geen enkele aardse macht op een absolute wijze heeft te onderwerpen, maar alleen aan God de Vader en aan de Heer Jezus Christus: de keizer is niet "de Heer" … Het christelijk gebed wordt gekenmerkt door het gebruik van de benaming "Heer ", of in het slot van in de uitnodiging tot gebed "de Heer zij met u" of , het gebed "door onze Heer, Jezus Christus" of ook in de uitroep, vol van vertrouwen en hoop: "Amen. Kom, Heer Jezus!" (Apok. 22,20).
Dierbare, houd Jezus Christus in gedachten, Davids nazaat, die uit de dood is opgestaan. Zo luidt de boodschap die ik verkondig en waarvoor ik zelfs als een misdadiger gevangenschap heb te lijden. Maar het woord van God laat zich niet in boeien slaan. Daarom ben ik bereid alles te verdragen ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jezus en eeuwige heerlijkheid. Hoe waar is dit woord: 'Als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons verloochenen. Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw: zichzelf verloochenen kan Hij niet.' Houd niet op de gelovigen dit alles in herinnering te brengen en bezweer hen bij God woordentwisten te vermijden die nergens toe dienen dan tot verderf van de hoorders. Doe uw best uzelf deugdelijk te betonen voor God, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen; spreek het woord van de waarheid rechtuit.