Eerder gepubliceerde restauratie items
19/03/2006 De Sint-Vituskerk als “Kanjermonument”
  De Sint-Vituskerk en pastorie zijn aan het eind van de vorige eeuw door het ministerie van OC en W aangewezen als beschermd rijksmonument.
Nederland kent vele bijzondere rijksmonumenten waarvan de instandhouding van groot belang is om hun cultuurhistorische waarde.
In 1996 werd door het tweede kabinet Kok financiële ruimte vrijgemaakt om de bouwkundige restauratie van 66 geselecteerde Kanjermonumenten mogelijk te maken in het kader van het Besluit rijkssubsidiëring grootschalige restauraties (Brgr).

De term “Kanjermonument” is in de letterlijke betekenis volledig van toepassing op de St.-Vituskerk: een voortreffelijk, ja zelfs uitmuntend voorbeeld van een kerk in neogtische stijl uit het omvangrijk oeuvre van Dr. Pierre Cuypers en bovendien naar de tweede betekenis van het woord ‘kanjer’ een zeer grote kerk in zijn soort met een kerktoren van bijna 100 meter hoog.
 
  In het bekende standaardwerk “De Katholieke Kerken in Nederland” uitgegeven in 1906 onder leiding van Dr. P.J.H. Cuypers en geschreven door Jan Kalf zijn alle toenmalige katholieke kerken in Nederland gerubriceerd per bisdom en dekenaat min of meer uitvoerig beschreven en nader aangeduid met fotomateriaal en plattegronden.
Het aardige van dit boek is dat Jan Kalf zich in zijn beschrijving niet beperkt tot een louter technische beschrijving van de kerkgebouwen maar ze als objecten van bouwkunst kwalificeert van “weinig opmerkelijk” of van “uitzonderlijke lelijkheid” tot “een smaakvol kerkgebouw” ja zelfs “een juweel van schoonheid”…, het woord “kanjermonument” bestond in die tijd nog niet.

Tussen de honderden beschrijvingen van Katholieke Kerken die omstreeks 1900 in Nederland bij de parochies in gebruik waren is onder het Aartsbisdom Utrecht bij het dekenaat Amersfoort de parochiekerk van den H.Vitus te Hilversum opgenomen.
De wijze waarop Kalf in zijn boek de toen 10-jarige St.Vituskerk beschrijft maakt wel duidelijk dat de Vitus een kanjer is in het oeuvre van Dr. P.J.H. Cuypers, ongetwijfeld één van zijn meest geslaagde ontwerpen in de neogotiek.
Jan Kalf beschrijft de Vitus als volgt:
⌂Eene kerk als een kathedraal, naar afmeting, opvatting en waardigheid.
Ik kan het niet helpen wanneer ieder hoofdstuk van dit boek ten slotte mocht blijken eruit te zien als een eenvoudige platte ring, waarop een prachtig, vonken-sparkelend juweel zou zijn gezet, en dat juweel… een werk van CUYPERS.
Het is toch niet mijne schuld, dat het edel-geaarde, het grootsche, het hoog-reikende, zelfs waar het niet tot volkomenheid kwam , aan zichzelf den luister ontleent om het goede, maar gewone, het deugdzame, maar niet verhevene, geheel te doen verbleeken.
Als een hoogfeest in den cyclus van het kerkelijk jaar, zoo staat deze kerk in den krans van haar geburen: het sursum corda, dat zij verkondigt, is klemmender van voordracht en van meer wijding in den toon.
En het is goed dat er ook nog zulke kerken worden gebouwd, solemneele-missen van kerken, kerken die een heroieke vereeringsact zijn, kerk, die aan “la grande chapelle du ciel”doen denken, kerken, die de Majesteit Gods beduiden.
De afmetingen der kerk –ruim 80 M. diepte bij 35 M. breedte en 19 M. hoogte van vloer tot gewelfsluitsteen- zijn zeker niet alledaagsch. Maar zij zouden toch het indrukwekkende van het intérieur niet verklaren: het is veeleer het fraaie rhythme in de ruimteontwikkeling –waardoor beurtelings op ééne der drie dimensies de volle aandacht wordt gevestigd- dat dezer kerk een zo grootsch aanzien geeft. De uitbuiging van het choor, dat als in eener omarming de zuiilengalerij van het middenschip omvaamt, accentueert de lengterichting; de overgang van den driebeukigen aanleg in de westelijke traveeën tot eene vijfbeukige tegen het transept aan, doet de zwellende breedte te sterker voelen, terwijl de door deze dispositie ontstane kruising van een lagere dwarse bogenrij met de hooge muraal- en gordelbogen der middenschipsgewelven aan de waarde der niet zoo excessieve hoogte van de hoofdbeuk belangrijk ten goede komt. Dit zeer gelukkig ruimteëffect is op onze lichtdrukplaat goed tot uitdrukking gebracht.
Met het oog op den hierbij gevoegden plattegrond schijnt eene meer gedetailleerde beschrijving der dispositie van het gebouw mij overbodig. Om een indruk te geven van het inwendig kleurenaspect, zij gezegd, dat vde gewelven worden gedragen op zandsteenen pijlers, welke op zwart gepolijste hardsteenen basementen staan. De opgaande middenschipswandenzijn geheel schoon gemetseld in roode baksteen met banden van paarse en gele, verlevendigd door een smal fries van helderkleurige geglazuurde tegels onder en boven het triforium.
De hoofdbeuk is gedekt met houten netgewelven, warm bruimn gesausd, gedragen op gekleurde ribben, waarlangs groene ranken gaan en die, tegen de wit-en-blauwe knoopen aan, met een gouden schaakwerk zijn versierd. In het transept, het choor en de zijbeuken zijn de gewelven uitgevoerd in baksteen: gele velden op roode ribben. De zuilen van het choorn van geäderd glanzend graniet, hebben witte-zandsteenen kapiteelen.
Terwijl het schip en de zijbeuken nog slechts eene eenvoudige, voorloopige beglazing bezitten, is het oostelijk deel der kerk van gehistorieerde vensters voorzien. Een klein venster in een der zijkapellen, waarin de Boom van Jesse is voorgesteld, mag worden geprezen om het rustig kleurengeheel.
Reeds geheel voltooid is de kapen van den H.ANTONIUS VAN PADUA, versierd met schilderingen uit het leven van den grooten traumaturg.
Niet onvermeld mag ook blijven het kostbare hoogaltaar, een werk van W.MENGELBERG, na een besloten prijskamp aan hem opgedragen.
Het uiterlijk der kerk maakt eenen niet minder grootscheepschen indruk dan haar interieur.
Daar is, in het westelijk front, de hooge, van heinde en ver herkenbare, open toren, als geschraagd door twee breed ontwikkelde kapellen; daar zijn de beide zijden, bestaande uit een rij van gevels, wijl elk der middenschipstraveeën haar eigen afdekking heeft, aansluitend aan de, op den oostelijken hoek van een traptoren voorziene transeptwanden, daar is eindelijk de choorpolygoon met de kleine veelhoeken der zijbeuksluiting zoo fraai aan den kerk verbonden; daar is vooral de imposante bedaking –aestetisch van waarde wijl zij de geleding van den bouw zoo fraai tot uitdrukking brengt en, naar vaklui verzekeren, als constructieve oplossing van niet minder beteekenis.
Nog een paar gegevens: de kerk naar een ontwerp van Dr. CUYPERS uitgwerkt door zijn zoon, werd door den aannemer GROENENDAAL gebouwd in 1891 en ’92. De wijding had plaats 5 september 1892 door Mgr. SNICKERS.
Het aantal zitplaatsen bedraagt omstreeks 1800.


 
Klik hier om terug te gaan naar de vorige pagina
22 mei 2013
St. Vituskerk in glas in lood
Heilige Vitus met leeuw en palmtak