Geschiedenis van onze Parochie
Godsdienstoefeningen in het geheim
In het begin van de 13e eeuw kerkten de katholieken van Hilversum in een kapel op de Brink, die bediend werd door Laren. Toen de bisschop van Utrecht Frederik van Blankenheim in 1516 van Hilversum een zelfstandige parochie maakte, waren de parochianen Eerste kerk in Hilversumzo trots, dat zij een nieuwe kerk gingen bouwen. Deze kwam op dezelfde plaats te staan als de voormalige kapel. Na de beeldenstorm van 1581 en de reformatie ondervond ook Hilversum daarvan de gevolgen. Op 20 december 1581 werd de Rooms-Katholieke Godsdienst door een decreet van Willem van Oranje verboden en moesten de godsdienstoefeningen in het geheim worden gehouden. De Sint-Vituskerk aan de Kerkbrink werd door de hervormden overgenomen. De katholieken waren nu aangewezen op schuilkerkjes waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden. De priesters gingen in de regel als reizend koopman of boer verkleed rond om hun pastoraal werk te verrichten. Maar altijd was het gevaar van ontdekking of verraad.

Tymen de Sayer, de allereerste pastoor
Onder deze omstandigheden werkte in de 17e eeuw eveneens Tymen de Sayer, ook wel Tymen Lubbertszoon genoemd. De Sayer werd in 1603 te Blaricum geboren. Hij studeerde te Keulen, waar hij het licentiaat in de godsgeleerdheid behaalde. Na zijn priesterwijding in 1628 werkte hij enige tijd in zijn geboorteplaats, totdat hij op 17 mei 1635 tot pastoor van Laren werd benoemd. In 1644 vestigde de Sayer zich in Hilversum bij parochianen, van waaruit hij zijn geloofsgenoten bediende. Maar niet alles liep op rolletjes. Vanwege zijn drukke werkzaamheden - zijn parochie omvatte Hilversum, Eemnes binnendijks, Baarn, Eembrugge en De Vuursche - had De Sayer een assistent aangenomen, namelijk de minderbroeder - franciscaan Dionysius van Ghent. Deze ontpopte zicht als een lastige dwarsligger, die De Sayer in alles tegenwerkte en, daarbij geholpen door de protestantse schout, de gemeente tegen hem wist op te zetten. De Sayer, die meer dan genoeg had van alle intriges, vroeg tenslotte overplaatsing aan naar Amsterdam. In 1653 vertrok hij om zijn intrek te nemen op de “Grimmenesse Sluys”, waar hij op 27juli 1658 overleed. Hij werd begraven in de Nicolaaskerk, nu Oude Kerk. Uit eerbetoon voor de geliefde Tymen de Sayer werden de klokken van de toenmalige Nicolaaskerk drie uur lang geluid. In de pastorie van de Sint Vitus te Blaricum bevindt zich een portret in olieverf van Tymen de Sayer. Van dat portret maakte Antonius Brouwer in 1865 een kopie, die nu in de pastorie van de Sint Vituskerk te Hilversum hangt.
In Amsterdam verscheen van De Sayer een portret in kopergravure, met het onderschrift:
“Heer Tymen, die Godts saet gesaeyt heeft met genucht,
Soo ‘s nachts als daegs, op hoop van een gewenschte vrucht,
Te maeyen ‘t zynen tijt, ontsach geen scherpe doren,
Uyt liefde tot Godts eer, bij hem alleen verkoren:
Waerom hem ‘t hemelsch pad daerboven is bereyt.
Nu rust de Sayer in de schoot der salicheyt”.


Op deze gravure ziet men zijn wapenschild: een roos temidden van doornen, met het devies: “Pungit et ungit” (hij steekt en zalft). Tymen de Sayer heeft een doorntak in de hand en met zijn vinger daarheen wijzend, zegt hij: “sic pungit invidia” (zo steekt nijd). Van deze gravure hangt eveneens een afdruk in de pastorie van de Sint-Vituskerk.

De katholieken kregen in 1672 weer de beschikking over een eigen bedehuis, Dat was in het Korte Achterom gelegen, in de buurt van de huidige Stationsstraat.
Bedehuis uit 1672

Oud-bisschoppelijke cleresy
Het aantal katholieken in die tijd was vrij groot. Er werden echter pastoors aangewezen die tot de deftige stand behoorden en intimi waren van de apostolische vicaris (de bisschop in die jaren) en de hoge heren van het Utrechtse vicariaat (kapittel). Deze groep had strenge opvattingen over het beleven van de godsdienst. Zij hadden hun priesteropleiding gehad in Leuven van Jansenius, die Augustinus doceerde met zijn pessimistische kijk op de mensen. De maatschappelijke tegenstelling onder de priesters kreeg door leerstellige opvattingen een wat grimmig karakter. De bovenlaag in de clerus werd aangeduid met de naam “Oud-bisschoppelijke Cleresy”. Pastoor A. Smidts (andere bronnen spreken van N. Smit), pastoor van de kerk in het Korte Achterom, was een verdediger van de standpunten van de Cleresy. Daardoor raakte hij in 1690 in conflict met zijn collega’s. Hij duldde geen andere opvattingen dan de zijne en daardoor verliet zijn ambtgenoot Joannes Kleijman het dorp Hilversum in 1704. De pastoor zelf stierf kort daarop en omdat de waarnemend vicaris-generaal geen invloed had en het Utrechtse vicariaat de touwtjes strak in handen hield, werd opnieuw een priester van de Cleresy benoemd.

Maar de katholieken waren niet tevreden. Zij maakten zich los uit de kudde die door een herder van de Cleresy werd geleid. Zij vormden in 1721 een eigen bestuur, dat trouw bleef aan Rome en organiseerden de kerkgang naar plaatsen in de omgeving. De Cleresy nam de “Achterhofse kerk” in bezit en de “Roomsen” moesten zich tevreden stellen met schuilkerken. De verdreven katholieken lieten het er echter niet bij zitten. Zij dienden meerdere verzoekschriften in voor het bouwen van een nieuwe kerk. Helaas werd in 1753 een positieve beslissing door de Gecommitteerde Raden omtrent het bouwen van een nieuwe kerk teniet gedaan. Maar op 14 september 1753 kwam er weer hoop in de harten van de roomsen. De Gecommitteerde Raden namen een voorlopige beslissing tot goedkeuring van de bouw van een kerkje, dat aan het noordeinde van de Groest zou komen. Achteraf werd deze goedkeuring toch weer ingetrokken.

De aanhouder wint
Men bleef echter niet bij de pakken neerzitten. Maar een tweede verzoekschrift op 20 juli 1767 en een derde in oktober 1774 om een bedehuis te mogen bouwen, bleven eveneens vruchteloos. Totdat in de herfst van 1783, toen Roelof Calis, Tennis de Graaf, Cornelis Willem Reyn en Hendrik Andriessen kerkmeesters waren, nogmaals een verzoekschrift werd ingediend om “op een bekwaame dog afgelegen plaats een Roomsch Kerkenhuys te moogen doen bouwen”. Op 21 oktober 1783 werd eindelijk gunstig gereageerd. De officiële toestemming was getekend op 23 september 1784. De kerk werd gesitueerd “op het eind van de Groest met ten Zuiden boer C.W Brouwer en ten Noorden boer P. de Jong”.

De eerste pastoor na 1784
De eerste pastoor die na 1784 werd benoemd, was Wilhelm Hölscher uit Terborg. Op 14 maart 1784 werd in het huis dat toen bewoond werd door een zekere familie Kool en dat gelegen was “aan de oostzijde van de Groest benoorden de huidige St.- Annastraat” voor de eerste maal de H. Mis gelezen. In de zomer van dat jaar werden plannen gemaakt tot het bouwen van een vaste kerk. Deze kerk kwam op het zuideinde van het “Groest-quartier”. De Gecommitteerde Raden gaven op 23 september van dat jaar hun goedkeuring, onder de uitdrukkelijke voorwaarden “dat zorg werde gedragen, dat hetzelve gebouw aan geen kerk of publiek gebouw maar aan een gewoon huis gelijke” Met andere woorden “bouw maar een schuilkerk”!
Op 3 juli 1786 werd door pastoor Hôlscher de laatste H Mis gelezen in het voorIopige kerkehuis van de familie Kool

Nieuw Bedehuis
Oude vitus zonder torenHet nieuwe kerkgebouw werd daags daarna op 4 juli 1786 ingezegend door de aartspriester H. Berendtsen. Voor de som van € 635 (f. 1.400,-) leverde Abraham Meere, orgelbouwer te Utrecht, een nieuw orgel. Begin 1853 werd besloten tot vergroting van de bestaande kerk Voor de som van € 16.563 (f. 36.500,-) werd de voorgevel vernieuwd en van een toren voorzien.
En zo bleef het, tot men aan de bouw van de huidige kerk begon.
Voormalige Vituskerk
26 mei 2013
Vitus binnenzijde
Raam met H. Maria